Laatste oproep voor dienstplicht verstuurd

DEN HAAG, 12 OKT. Het ministerie van defensie heeft zijn laatste oproep aan dienstplichtigen de deur uit gedaan. Dit heeft staatssecretaris Gmelich Meijling (defensie) de Tweede Kamer gisteren laten weten.

Deze week krijgen 45.000 jongens een brief waarin ze 'buitengewoon dienstplichtig' worden verklaard. Zij gaven bij hun keuring aan geen zin te hebben in het vervullen van hun dienstplicht en hoeven dan ook niet op te komen.

Over zes maanden begint de laatste lichting militairen aan het vervullen van de dienstplicht. Tot begin april 1996 heeft de krijgsmacht nog behoefte aan 6.452 dienstplichtigen. Zij hebben alle hun oproep binnen. Een deel van hen, veertig procent, bestaat uit bereidwillige dienstplichtigen. De rest gaat met tegenzin naar de kazerne.

Oorspronkelijk zou de dienstplicht op 1 januari 1998 verdwijnen, waarna de Nederlandse krijgsmacht uitsluitend uit vrijwilligers zal bestaan. Maar volgens een defensie-woordvoerder doet “de laatste dienstplichtige al op 31 december 1996 het licht uit”.

De bijna 4.000 jongens uit die laatste groep hebben nog een mogelijkheid om onder de vervulling van hun dienstplicht uit te komen. De staatssecretaris heeft een reserve van 14.000 dienstplichtigen die dit jaar worden gekeurd. Zij hebben laten weten dat ze niet aan een studie zullen beginnen. Zij zouden als vrijwilligers de plaats kunnen innemen van degenen die liever niet in dienst gaan. Maar de woordvoerder van het ministerie verwacht dat het aantal vrijwilligers uit de 'reserve-groep' van 14.000 betrekkelijk laag zal zijn.

Sinds 1952 daalt het percentage dienstplichtigen dat daadwerkelijk in dienst gaat. In dat jaar ging ruim de helft op voor, toen nog, zestien maanden. In de jaren tachtig was dat nog maar eenderde. Als de dienstplicht, die nu negen maanden duurt, was blijven bestaan, zou in het jaar 2000 nog maar een kwart van de dienstplichtigen in dienst hoeven.

Het vorige kabinet merkte dat na de val van de Berlijnse Muur het maatschappelijk draagvlak voor de dienstplicht ontbrak. Toen bovendien de Raad voor de Krijgsmacht concludeerde dat “een vrijwilligerskrijgsmacht niet snel zal verworden tot een staat in de staat”, begon het kabinet met het beëindigen van het dienstplichtige deel van de krijgsmacht.