Kantoorvocht

Worden spinnen en spinnewebben volgens Nederlands laatste professionele spinnekenner eigenlijk ten onrechte met de herfst geassocieerd, met de recente stralingsmist is dat niet zo. Dat is elk najaar hetzelfde liedje: de Noordzee is nog warm, de lucht nog betrekkelijk vochtig, de nachten worden langer en vaak ontwikkelt zich in de vroege herfst een weertype dat geen wind en wolken kent. Dan is het wachten op de eerste aanrijdingen.

De afgelopen dagen lag de relatieve vochtigheid buiten extreem hoog, er was maar een minieme afkoeling nodig om de zogeheten dauwpuntstemperatuur te bereiken. Bij die temperatuur is de lucht verzadigd. Verdere afkoeling doet dan dauw en condens ontstaan. Omdat de buitentemperatuur de laatste dagen nog betrekkelijk hoog was, zodat nauwelijks verwarming nodig was om het binnen behaaglijk te krijgen, was het ook binnen erg vochtig zolang men niet aan airconditioning deed. In gewone huizen wilde een krant van een dag oud al niet meer knisperen.

Ook de dubbeldeks boemel die de NS tussen Amsterdam en Rotterdam laten rijden kent geen noemenswaardige luchtbehandeling: in de tweede klasse ontwikkelde zich tijdens het spitsuur zware condens op de bovenraampjes. Die bestaan uit enkelglas dat door de rijwind moeiteloos beneden de dauwpuntstemperatuur werd gebracht.

Het moderne kantoorgebouw dat de redactie van deze krant huisvest is ook van dubbelglas voorzien maar wèl uitgerust met een systeem van klimaatregeling dat is ondergebracht in een kleine fabriek op het dak. Nooit loopt de luchtvochtigheid tussen de computers hoger op dan de Arbeidsinspectie goed zou vinden. In zomer en winter heersen dezelfde arbeidsomstandigheden, alleen aan de boompjes in de berm van de snelweg achter het gebouw is af te lezen hoever de seizoenen zijn gevorderd.

Deze week was zelfs dit niet mogelijk: toen zat er zoveel condens op het dubbelglas dat het wel leek of de nieuwe krante-eigenaar matglas had laten monteren. Maar 't was gewoon condens, zij het andere condens dan in de trein: het kantoorvocht bleek aan de buitenzijde van het raam te zitten, een van de verbaasde redacteuren heeft dat onomstotelijk aangetoond. En het was geen aangewaaide mist of zo - er was nauwelijks mist - het was echte condens met dat typische condenspatroon dat gewoonlijk binnen wordt gevonden. Meestal blijft daarbij een heldere glasstrook over langs de randen van de sponning.

Nooit eerder was van AW-zijde een bewoond gebouw waargenomen met condens op de buitenzijde van de ramen, hoewel 'De natuurkunde van 't vrije veld' van prof.dr. M. Minnaert dit fenomeen al in de vroegste drukken vermeldde. 's Zomers zag Minnaert wel eens ramen van onverwarmde kamers aan de buitenzijde beslaan als de buitentemperatuur plotseling opliep. Overigens besteedt Minnaert opvallend weing aandacht aan de vorming van 'aanslag' op ramen en grijpt hij voor metingen en verklaringen terug naar literatuur uit 1814.

Gelukkig is een uitgebreide en streng-formele verhandeling over dauw en condens te vinden in het werk van de Amerikaanse hoogleraar meteorologie Craigh F. Bohren, in de hier al eerder genoemde boeken 'Clouds in a glass of beer' (1987) en 'What light through yonder window breaks?' (1991), beide bij John Wiley. Des te ongelukkiger, anderzijds, dat ook Bohren kennelijk nooit condens op de buitenzijde van glas heeft waargenomen. Zo komt hij, kwalitatief redenerend, tot een verklaringen voor de verschijnselen binnen die door de verschijnselen buiten worden weerlegd.

Van belang is dat condensvorming op de binnenkant van een raam (uit enkel glas) anders verklaard moet worden dan condens buiten. Binnen is het vaak warmer en ook vochtiger dan buiten, dat laatste als gevolg van koken, wassen, douchen, zweten en ademen. De dauwpuntstemperatuur kan zo hoog worden dat een een koel raam de lucht daar makkelijk beneden brengt en er is weinig voor nodig om een raam voldoende af te koelen. Er is de koude buitenlucht en/of het verlies van warmte door straling naar de omgeving.

Het 'en/of' is hier de crux: tussen effecten van straling en koude wind is niet makkelijk een onderscheid te maken en daardoor wordt ook nooit helemaal duidelijk wat precies de typische - voor elke ruit karakteristieke en steeds weer terugkerende - condenspatronen doet ontstaan. Condensplekken concentreren zich meestal op het laagste deel van het raam en bezitten vaak mooie krommingen. Minnaert schrijft de patronen toe aan wervels en andere zwakke luchtbeweging, Bohren wijst bovendien op aanvoer van warmte uit de sponning.

Ook voor de recente nachtelijke condensvorming op de buitenzijde van ramen moet het glas kouder zijn geworden dan de langsstrijkende lucht. De lucht zelf kan daarin natuurlijk geen rol spelen, integendeel: hoe meer wind er langs de ramen glijdt hoe minder het verschil kan worden. In het onderhavige geval kon er ook geen sprake zijn van netto-afvoer van warmte naar de binnenzijde van het gebouw. Dat werd immers goed verwarmd. Het buitenglas kon zo sterk afkoelen juist omdat het zo goed was afgesloten van de binnenruimte en doordat toevallig die nacht een sterke uitstraling plaats vond.

Een aardige ondersteuning voor deze opvatting komt van bijgaand plaatje dat laat zien hoe achter een metalen ladder (die voor glazenwassers is opgehangen) veel minder condens optrad. Het is niet erg waarschijnlijk dat achter die ladder veel meer luchtbeweging plaats vond dan verderop langs de gevel. Zo volstrekt identiek was het condenspatroon op de tientallen op een rij geplaatste ramen dat alleen al op grond daarvan een doorslaggevende invloed van luchtwervelingen onwaarschijnlijk is te noemen.

De nieuwe stelling is dus dat de vorm van condenspatronen op glas voornamelijk door het stralingsevenwicht tussen glas en omgeving wordt bepaald. Luchtwervelingen spelen een ondergeschikte rol. Treinreizigers kunnen na een dauwnacht nog een extra ondersteuning voor de theorie vinden in het typische condenspatroon dat zich ontwikkelt op de buitenzijde van de halfopen glazen hokjes die de NS de laatste jaren op perrons neerzetten. Schuin onder de horizontale stalen buizen die veiligheidshalve rondom de hokjes zijn aangebracht is nooit enig condens te vinden.