In Liefde Bloeyende

WERELTS-GESINDEN

Die inde werelt leeft, alleenlick om te leven

En geen gedachten heeft die door de wolcken sweven

Is op en op gelijck de kinders, welckers praet

Niet hoger als tot pop en poppegoet en gaet.

Of, als een armen slaef die inde Vangen-huysen

En Toorens is geleyt, alwaer hy van de luysen

En ander ongediert gepriemt wert en gequelt

En echter in dien staet geen swarigheyt en stelt

Maer liever in dat Kot (geboeyt met ys're banden)

En over al gegort aen voeten en aen handen)

Altijt geplaegt wil sijn, als dat hy op souw staen

En door een open deur in vryheyt henen gaen.

V. v. Oosterwyck (1603-1675)

Hoewel het 'wereldsgezind' uit de titel van dit gedicht me, net als 'heidens' en 'ketters', een krachtterm lijkt uit het calvinistisch-puriteinse vocabulaire, en de veroordeling van 'wereldsgezinden' de liefhebberij bij uitstek is van de vromen en kerkgangers, bestrijkt het gedicht een ruimer domein dan dat van de tegenstelling tussen kerks en goddeloos alleen. De woorden God en godsdienst komen er niet in voor, op duivel, zonde en boosheid wordt evenmin gezinspeeld, die dichter doet zijn best geen van de partijen in het gevecht om de ziel met naam of toenaam te noemen, de worsteling tussen het profane en het geestelijke wordt zoveel mogelijk geabstraheerd en neergezet in termen die niet uit het theologische, maar uit het poëtische arsenaal stammen - en ziedaar, terwijl de Hollandse godsdiensttwisten en de eschatologische scherpslijperijen allang zijn uitgewoed, is iedereen van ons nog wel in staat zich iets bij het motief van dit gedicht voor te stellen.

Het zou voor een verdediging van de kunst en de beschaving kunnen doorgaan, bij voorbeeld, de Vakbond van Kunstenaars zou het als vlugschrift onder politici kunnen verspreiden om hen er op te wijzen dat men niet leeft bij materialisme alleen, zelfs een communist zou het in een gezelschap van sigaarrokende kapitalisten kunnen voorlezen als een pleidooi voor het mooie van zijn idealen, het lijkt me zelfs bruikbaar als lijfgedicht voor spiritisten en New Age-adepten.

Al voelt men op zijn klompen aan dat de grondslag van dit gedicht in de steilste zeventiende-eeuwse stichtelijkheid ligt, het blijft voor ons open en tijdeloos. Dat is het knappe ervan. Zo voelen we ons ook door veel schilderijen uit die eeuwen nog aangesproken, al staan ze stampvol engelen en heiligen.

De opbouw van het gedicht is even simpel als doeltreffend. De 'wereldsgezinden' worden kort geschetst als mensen “die geen gedachten hebben die door de wolken zweven” (het is deze gastvrije typering die het gedicht zo toepasbaar maakt), waarna ze worden vergeleken met kinderen en gevangenen. Bij de kinderen spreekt de dichter over pop en poppegoed, over zielloze wezens dus, en bij de gevangenen over luizen, wat meer een associatie met kruipend gedierte oproept - de tweedeling van de beeldspraak keert terug in de voorlaatste regel, een zin die letterlijk in tweeën breekt - altijt, als dat - en die de samenvatting van het voorgaande als met de zwaluwstaart van de timmerman verbindt met de voorwaarde van de slotconclusie.

Naar die bevrijdende conclusie werkt het gedicht ook ademtechnisch toe. Na de plechtige inzet en de eerste opmaat naar de wolken, via op en op naar pop en poppegoed bestaat het uit nog maar één lange zin, die zich al specificerend vernauwt, met tot slot nog een extra specificatie tussen haakjes - zodat we haast adem tekort komen. Op dat ultieme moment volgt, als door een tunnel, de beweging naar buiten, via de al genoemde geknakte en gevoegde zin. De vrije lucht die ons als climax wordt voorgetoverd is tevens het einde van het gedicht, het allesoverheersende wit.

Net toen we in ademnood raakten lanceerde de voorlaatste regel ons, als via een glijbaan, de open deur in, de vrijheid tegemoet.

De beeldspraak en beweging van het gedicht verlenen aan de mogelijkheid van onze redding en bevrijding een suggestie van groot gemak. Alsof een kind het ineens over de ziel zou kunnen hebben. Alsof een gevangen zomaar uit zijn cel zou kunnen wegwandelen. Natuurlijk kunnen kinderen en gevangenen dat niet. Maar de dichter heeft er ons heel even in laten geloven dat wij ons wel zouden kunnen verheffen en bevrijden, en dat het voor mensen eigenlijk een fluitje van een cent is, als ze maar willen. Het komt door die doeltreffendheid waarmee de dichter ons naar zijn open deur heeft toegewerkt. Er kan geen twijfel over bestaan dat de deur wijdopen staat.

De dichter had vast een verlosser of een heiland op het oog. Laten wij ons maar tot de dichters beperken. Dankzij hun kunst staat de deur van de vrijheid nog altijd open voor het onvolgroeid en kruipend gedierte dat wij zijn.