Ik huil dus word ik verdrietig

Een van de kip-of-het-ei-vragen die de psychologie al meer dan honderd jaar bezig houdt is of de emotionele expressie de subjectieve beleving volgt of daaraan vooraf gaat. In 1890 schreef William James (18421910), de geestelijke vader van de Amerikaanse psychologie: 'Het gezond verstand zegt dat we onze rijkdom verliezen, verdrietig zijn en huilen; we worden beledigd door een rivaal, zijn boos en vallen aan. De hypothese die hier verdedigd zal worden zegt dat deze volgorde verkeerd is ... en de meer rationele bewering is dat we ons verdrietig voelen omdat we huilen, boos omdat we aanvallen en bang omdat we trillen.' We vluchten dus niet voor een beer omdat we bang zijn, maar zijn bang omdat we vluchten.

De theorie van James lijkt aan te tonen dat ook de grootste denkers dwaze ideeën kunnen hebben, maar volgens de Amerikaanse psycholoog James Laird is de opvatting van James steekhoudend. In talloze experimenten is aangetoond dat mensen hun gedachten en gevoelens laten afhangen van hun gedrag. Zo is aan proefpersonen gevraagd een standpunt te verdedigen waar zij het niet mee eens waren en na afloop bleken velen hun mening te hebben veranderd. Laird: 'Zet iemand aan tot het aanvallen van een onschuldige voorbijganger, en hij zal een hekel krijgen aan zijn slachtoffer. Het lukt om iemands mening en gevoelens te veranderen als je hem het idee kan geven dat hij uit zichzelf iets gedaan heeft dat niet bij die mening past.'

Emoties laten zich beïnvloeden door uiterlijk vertoon. Zo lijkt het elkaar langdurig in de ogen kijken een typische uiting van verliefdheid, maar Laird toonde aan dat het proces ook gedeeltelijk omgedraaid kan worden. Hij vroeg mannelijke en vrouwelijke proefpersonen tegenover elkaar plaats te nemen en liet hen ofwel twee minuten diep in elkaars ogen kijken of naar elkaars handen staren. Na afloop bleken de proefpersonen die langdurig oogcontact hadden gehad meer romantische gevoelens voor elkaar te hebben.

Een stap verder gaat het onderzoek van de Amerikaanse psycholoog Paul Ekman en collega's. Zij lieten proefpersonen een voor een bepaalde gelaatsspieren aanspannen. Onbewust namen zij daardoor verschillende emotionele gelaatsuitdrukkingen aan en dit bleek gepaard te gaan met specifieke emotionele en fysiologische veranderingen. Zo gingen angstige en boze gelaatsuitdrukkingen gepaard met een versnelde hartslag in vergelijking met een blij gezicht. Het lijkt er op dat iemand alleen maar angstig of boos hoeft te kijken en het emotionele gevoel van de persoon past zich aan de gelaatsuitdrukking aan en het lichaam maakt zich klaar om te vluchten of te vechten. De onderzoekers concludeerden dat expressief gedrag volstaat om de bijbehorende emoties op te roepen.

De psycholoog Frans Boiten van de Universiteit van Amsterdam vond echter dat deze conclusie te snel werd getrokken. Het verschil in de hartslag zou ook samen kunnen hangen met de moeilijkheidsgraad van de geposeerde gezichtsuitdrukking. Voor het trekken van een vrolijk gezicht zijn namelijk minder spieren nodig dan voor een kwaad of bang gezicht. Het poseren van de laatste emoties vraagt eenvoudigweg meer inspanning. Boiten onderzocht dit idee en maakte daarbij niet alleen gebruik van de 'echte' gelaatsexpressies, maar ook van een onzin-uitdrukking met getuite lippen en dichtgeknepen ogen. Het blijkt dat het aantal spieren dat aangespannen wordt in het gelaat bepalend is voor de autonome reacties.

Boiten: 'Moeilijke expressies zorgen ervoor dat niet meer volledig wordt uitgeademd. De proefpersonen blazen zich als het ware een beetje op en dat verhoogt de spanning in de ademhalingsspieren. Het gevolg is dat de hartslag omhoog gaat. De specifieke fysiologische reacties bij bepaalde gelaatsuitdrukkingen zijn dus niet het produkt van een onderliggende emotioneel reactiepatroon, maar een artefact.' Ook voor het opgeroepen gevoel bestaat een alternatieve verklaring. Veel proefpersonen merken volgens Boiten welke expressie zij hebben aangenomen en zullen het bijbehorende gevoel rapporteren om de proefleider te plezieren.

Er zijn ook andere aanwijzingen dat de feedback vanuit het lichaam en het gezicht de emotionele reactie niet volledig bepaalt. Patiënten met een dwarslaesie hebben een beschadiging in het ruggemerg waardoor zij geen gevoel in hun lichaam hebben. Toch zijn hun emoties niet minder intens. Boiten merkte iets soortgelijks bij zichzelf op toen hij waarschijnlijk als gevolg van een infectie tijdelijk een aangezichtsverlamming kreeg. Zijn emoties in deze periode waren bepaald niet vlak.

Boiten denkt dat de feedback vanuit het lichaam en het gezicht de verschillende emotionele belevingen niet werkelijk oproepen, maar alleen de intensiteit van gevoelens veranderen. Dit werd aangetoond bij een experiment waarbij proefpersonen adrenaline kregen ingespoten. Zij voelden zich daardoor onrustig, maar ervoeren geen specifieke emoties. Toen zij echter lichtelijk geprovoceerd werden, bleek dat de opgeroepen boosheid sterker was dankzij de adrenaline die het hart in de keel deed bonzen.

Op soortgelijke wijze kunnen gelaatsuitdrukkingen de beleving veranderen. Proefpersonen die elektrische schokken kregen toegediend werd gevraagd een neutraal gezicht te trekken of juist te kijken alsof het erg veel pijn zou doen. Het blijkt dat de schokken pijnlijker zijn en ook sterkere fysiologische reacties oproepen, wanneer het gezicht van pijn is verwrongen. Evenzo blijken mensen een komische film leuker te vinden als zij aangemoedigd worden zoveel mogelijk te lachen en de film wordt minder leuk als zij hun gezicht in de plooi moeten houden. Tot slot zijn foto's van ernstige verkeersongelukken veel enger om te zien voor proefpersonen die van tevoren al een angstige uitdrukking hebben aangenomen.

De invloed van gelaatsuitdrukkingen blijven niet beperkt tot situaties waarin bewust bepaalde expressies worden aangenomen. Men heeft bijvoorbeeld proefpersonen gevraagd een reeks cartoons te bekijken met een pen in de mond. De ene helft van de proefpersonen had daarbij de opdracht gekregen de pen vast te houden met de tanden en de andere helft met de lippen. In de eerste situatie worden de mondhoeken automatisch naar boven getrokken en in de tweede is deze 'lachende' beweging juist uitgesloten. Het blijkt dat de proefpersonen met de opgetrokken mondhoeken de gemaakte grappen een stuk leuker vinden.

Een vergelijkbaar effect werd bereikt toen proefpersonen een lijst klanken moesten voorlezen. Wanneer vaak de zuinige mondbeweging van de 'u' gemaakt moest worden, dan voelden proefpersonen zich minder plezierig, dan wanneer zij vaak de 'ie' hadden moeten uitspreken. Deze klank vraagt immers om het verbreden van de mond. Dit wordt overigens ook door fotografen gebruikt die een lach tevoorschijn toveren met say cheese'. Het bestaande onderzoek steunt dus de intuïtie van Charles Darwin die in 1896 in zijn klassieke boek The expression of emotion in man and animals het volgende schreef: 'De vrije uitdrukking van de uiterlijke tekenen van een emotie versterkt haar. Aan de andere kant worden onze emoties verzacht door het zoveel mogelijk onderdrukken van alle uiterlijke verschijnselen.'

    • Ad Bergsma