Grote verschillen koopkracht minima

DEN HAAG, 12 OKT. Mensen met een minimuminkomen hebben in de ene gemeente veel meer koopkracht dan in de andere. Dit is de conclusie van een vandaag gepresenteerd rapport van de vakcentrale FNV.

Gemeentelijke belastingen en heffingen, huren en overige woonlasten bepalen de verschillen in besteedbaar inkomen van de minima. In Zaanstad zijn de kosten, zoals onroerende-zaakbelasting en rioolheffing, het hoogst. In die gemeente betaalt een gezin daaraan 858 gulden per jaar, 500 gulden meer dan een gezin in Cuijk.

Huren zijn in Deventer veel lager dan in Nieuwegein. Het verschil tussen beide gemeenten loopt op tot 1.300 gulden per jaar. Daar komen de overige woonlasten nog bij. Nieuwegein is ook wat dat betreft de duurste gemeente. Als de huur, de gemeentelijke heffingen, gas, water, elektriciteit en de kabel zijn betaald, houden de minima in Nieuwegein nog 1.100 gulden per jaar over voor andere uitgaven. In Tilburg hebben de mensen met een minimuminkomen elf procent meer te besteden, 1.230 gulden.

FNV-onderzoeker L. Kroon heeft gemerkt dat grote verschillen bestaan tussen de uitgaven van gemeenten per uitkeringsgerechtigde. Sas van Gent besteedde vorig jaar 52 gulden aan elke uitkeringsontvanger, Purmerend aanzienlijk meer: 1578 gulden. Het landelijk gemiddelde ligt op 550 gulden.

De conclusies van het onderzoek plaatsen de FNV voor een dilemma, zei bestuurder sociale zekerheid H. Muller. “De verschillen worden zo groot dat er landelijk grenzen moeten worden gesteld”, zei Muller vanochtend. “Maar aan de andere kant willen we de gemeenten zoveel mogelijk ruimte laten om hun eigen minimabeleid vast te stellen.”

Elke gemeente krijgt van de landelijke overheid een bedrag voor de bijzondere bijstand in het gemeentefonds gestort. Dit bedrag is bedoeld voor de sociale minima, maar volgens de FNV komt het voor dat een gemeente het geld besteedt aan lantaarnpalen. Het FNV-rapport constateert dat 61 procent van de gemeenten minder geld aan bijzondere bijstand besteedde dan begroot.