Eén nationale foto-opdracht is genoeg

Het initiatief van de Mondriaan Stichting en het Nederlands Fotoinstituut om de documentaire fotografie in Nederland te stimuleren verdient steun. Wim Vroom pleit voor nauwe samenwerking met bestaande initiatieven. Meer van hetzelfde is rampzalig.

Nog niet zo lang geleden keek zij ons overal aan vanaf de Amsterdamse billboards: de sterke, monumentale, doodarme vrouw uit Californië, in 1936 gefotografeerd door Dorothea Lange. Die wereldberoemde foto, symbool voor de crisisjaren, is een van de resultaten van de even befaamde Amerikaanse foto-opdracht, die in 1935 door de Farm Security Administration werd verleend aan zes fotografen.

Het is wel de beroemdste, maar niet de eerste overheidsopdracht op dit gebied geweest. Tachtig jaar eerder al had de Franse overheid de fotografie ontdekt: het ministerie van binnenlandse zaken gaf in 1851 opdracht aan vijf fotografen om het architectonisch erfgoed vast te leggen: we danken aan deze mission héliographique een reeks opnamen van de grote Franse kathedralen, die nu nog door elke kunsthistoricus wordt gebruikt. En die reeks was weer in 1983 de directe inspiratiebron voor de groots opgezette opdracht van de Franse regering over de ruimtelijke ordening, bekend onder de naam DATAR, waarin korte metten worden gemaakt met het imago van la douce France.

Onlangs (14 september) meldde deze krant een nieuw Nederlands initiatief: Mondriaan Stichting en Nederlands Fotoinstituut gaan de documentaire fotografie stimuleren. Het plan straalt allure uit en visie. De komende drie jaar - mogelijk langer - gaan zes fotografen aan het werk om onder begeleiding van deskundige internationaal samengestelde commissies relevante sociaal-culturele thema's vast te leggen. Nadruk komt te liggen op nieuwe fotografische benadering, nieuwe presentatievormen en internationale uitstraling. Een on-Nederlands ruim bedrag staat ter beschikking: driemaal 2,5 ton. Titel van het project: 'Photograph(s) in Progress'.

Reden tot blijdschap dus: eindelijk wordt aan de moederfunctie van de fotografie, het documentair vastleggen van de werkelijkheid om ons heen, door het meest prestigieuze kunstfonds in dit land volop recht gedaan. Toch is er plaats voor vragen en kanttekeningen.

De eerste voor de hand liggende vraag is: wat is de uiteindelijke bestemming van die foto's, behalve dat ze worden geëxposeerd en afgedrukt in een boek of catalogus? Als men wil dat er foto's bij zullen zijn, die na een halve eeuw nog eenzelfde symboolfunctie kunnen vervullen als de Californische vrouw van Lange, moet daar goed over worden nagedacht. De Farm Security opdracht berust in de Library of Congress in Washington, de Mission héliographique in het Musée d'Orsay en de DATAR in de Bibliothèque Nationale in Parijs.

Belangrijker is de vraag hoe dit initiatief zich verhoudt tot bestaande foto-opdrachten. Het Rijksmuseum verleent sinds 1974 jaarlijks een foto-opdracht over precies dezelfde thematiek als 'Photoworks' voorstelt. Uit hetzelfde krantebericht bleek, dat het er naar uitziet dat die reeks, na wat aarzelingen en twijfels, wordt voortgezet. Ook het Rijksmuseum werd bij elke opdracht geadviseerd (onder andere door het Sociaal en Cultureel Planbureau). Evenmin werden fotografische experimenten geschuwd, al waren die gericht op het thema en nimmer doel op zichzelf.

De Rijksmuseumopdrachten staan ook uitdrukkelijk open voor fotografen die niet over een Nederlands paspoort beschikken (een enkele maal is de opdracht aan een buitenlander verleend). Het is overigens maar de vraag of die commissies met aan- en afvliegende internationale deskundigen wel zullen bijdragen tot het tot stand brengen van topkwaliteit; hetzelfde geldt voor het veelvuldig inschakelen van buitenlandse fotografen.

De ervaring leert dat voor de fotografen de moeilijkste en meest tijdrovende opgave erin bestaat om vertrouwen te winnen en letterlijk toegang te krijgen tot voor hun thema belangrijke situaties: dat vraagt tact en groot geduld. Brieven, soms ook persoonlijk contact van de opdrachtgever met instanties en personen kunnen een wezenlijke steun betekenen en deuren openen.

Geen opdracht ook zonder privacyproblemen, en dat kan ook niet anders: de fotograaf moet bij een documentaire opdracht tot de kwetsbare kern van de samenleving doordringen, willen zijn foto's uitstijgen boven de zuivere registratie. In het omgaan daarmee is in het Rijksmuseum een zekere know how opgebouwd: de opdrachtgever geldt zowel voor fotograaf als gefotografeerde als een solide, betrouwbare partner. Regelmaat van de opdrachten is daarbij van groot gewicht.

Dat alles pleit niet zozeer voor een nauwe samenwerking, maar voor het ineenschuiven van beide initiatieven. Dat brengt de bestaande ervaring met opdrachten en de aanwezigheid van een collectie van enkele duizenden foto's uit een periode tussen 1974 en 1994 in het Rijksmuseum samen met een verbreed financieel draagvlak (250.000 gulden, ongeveer het dubbele van het bedrag dat het Rijksmuseum kon besteden) en met de versterking van deskundige steun door middel van de voorgestelde commissies.

Een sterk punt van het nieuwe initiatief is de toepassing van nieuwe presentatievormen. Daaraan heeft het in het Rijksmuseum altijd ontbroken en daartoe is het Rijksmuseum ook niet geëquipeerd. Het Nederlands Fotoinstituut is de instelling om te zorgen dat de resultaten van deze nationale opdrachten zo worden gepresenteerd dat ook hun maatschappelijke impact het best is gewaarborgd.

Ook de organisatie van publiciteit en het entameren van discussies rondom deze opdrachten zouden tot zijn taak moeten behoren. Verdubbeling van initiatieven is in dit kleine land rampzalig. Er is in Nederland plaats voor één, goed georganiseerde, eindelijk fatsoenlijk betaalde documentaire fotografieopdracht van nationale reikwijdte. Mondriaanfonds, Nederlands Fotoinstituut en Rijksmuseum moeten de handen ineen slaan.

    • Wim Vroom