Een al te machtig wapen

Aanvankelijk werden röntgenstralen gebruikt voor het opsporen van botziekten en -breuken, maar al snel werden ze ook benut voor therapeutische doelen, van ischias tot wratten. De gevolgen waren vaak desastreus.

Fokkema RE, Schade door röntgen- en radiumstraling. Groningen: Proefschrift Rijksuniversiteit van Groningen, 1993.

Eisenberg RL, Radiology. An illustrated history. St.Louis: Mosby-Year Book Inc, 1992.

Tegenwoordig zal niemand het in zijn hoofd halen zich meer dan strikt noodzakelijk is aan röntgenstraling bloot te stellen, maar kort na 1895 was het bijna een soort volksvermaak een röntgenfoto van de eigen hand te laten maken, liefst met ringen om, vanwege de herkenbaarheid. Van allerlei hoogwaardigheidsbekleders uit die tijd zijn dergelijke opnamen bewaard gebleven. Al binnen enkele maanden na de ontdekking doken echter de eerste signalen op dat röntgenstraling verre van onschuldig was. Een van de eerste slachtoffers was de assistent van Thomas Edison. Edison experimenteerde enthousiast met het nieuwe medium. Zijn assistent, Clarence Dally, had als taak de röntgenbuis bij te stellen. Die hield daarvoor, zoals toen gebruikelijk was, zijn hand in de straling en dat resulteerde al na enkele maanden in een ernstige huidafwijking. Edison schrok daar zo van dat hij zijn experimenten met röntgenstralen stopzette. Voor zijn assistent was het toen al te laat. Hij stierf in 1904 aan een uitgezaaide huidkanker.

Aanvankelijk werden röntgenstralen vooral diagnostisch ingezet. Voor het eerst was het mogelijk delen van het skelet af te beelden, zodat breuken en botziekten konden worden opgespoord. Ook de gevreesde longtuberculose kon met de nieuwe apparaten in een veel vroeger stadium ontdekt worden. Al snel begon men de stralen echter ook voor therapeutische doelen te benutten. Vaak kwam dat voort uit een toevallige ontdekking. In de Verenigde Staten, bijvoorbeeld, werd een jongetje met een kogel in zijn hoofd met behulp van röntgenstraling onderzocht. Enkele weken daarna lieten alle haren aan de bestraalde zijde van het hoofd van het kind los. Dat bracht onderzoekers op het idee om röntgenstralen toe te passen tegen overmatige haargroei bij de vrouw. Toen men ontdekte dat dan ook acne verdween, was er weer een nieuwe toepassing bij. Rond 1900 werden de stralen al gebruikt bij schimmels op het hoofd, chronisch eczeem en bijvoorbeeld psoriasis. Krachtiger bestraling werd ingezet voor de behandeling van huidkankers en huidtuberculose.

Net na de eeuwwisseling doken de eerste verhalen op over het ontstaan van huidkankers bij röntgenonderzoekers, zoals de assistent van Edison. Men werd zich er dus van bewust dat röntgenstaling ook na jaren nog schade kan veroorzaken. Dat leidde tot een zoektocht naar een betere bescherming, die na enig experimenteren met vasiline, dikke kleding en zilverfolie de afscherming met lood tot gevolg had. Voortaan hulde men de niet te bestralen gezonde huid in loodfolie en de radiologen zelf gebruikten loden schorten.

Door het matige functioneren van de eerste röntgenbuizen kwam het in de daarop volgende jaren tot een reeks processen over door radiologen veroorzaakte acute stralenschade. Er was bijvoorbeeld het geval van een Parijse dame, die wegens ischias werd bestraald. De eerste sessie duurde 40 minuten, de tweede 45 minuten. Daarna raakte haar dij rood en ontstoken. Desondanks werd zij nog een derde keer bestraald: maar liefst 75 minuten. Deze laatste behandeling resulteerde in een ernstige huidverbranding, waardoor zij vier maanden het bed moest houden. De rechter veroordeelde de radioloog wegens onzorgvuldig optreden met een (vermoedelijk) defect röntgenapparaat.

In de jaren dertig hadden de processen vooral betrekking op late stralenschade. In Nederland was er de zaak van een twintigjarig fabrieksmeisje, dat zich bij haar ziekenfonds had gemeld met de vraag of er iets te doen was aan haar overvloedige gezichtsbeharing. Ze was daarop verwezen naar een röntgenoloog, die haar 12 à 15 keer bestraalde. Als gevolg daarvan traden veranderingen op aan haar gezichtshuid, gebit en kaken, 'leidende tot extractie van haar gebit en tot uitstoting van haar onderkaak, waardoor haar gelaat ernstig is misvormd en haar blijvend nadeel is toegebracht'. In mei 1939 werd de betreffende röntgenoloog gedagvaard en dit leidde tot een langdurige juridische strijd, die pas in 1950 werd afgerond. De rechtbank bevond de gedaagde schuldig, omdat 'röntgenbehandeling bij overtollige beharing wegens de daaraan verbonden gevaren achterwege behoort te blijven en dat deze mening reeds in 1930 met klem gepropageerd werd.'

Hoewel men dus in die jaren steeds duidelijker zicht kreeg op de gevaren, was röntgenbestraling tot de Tweede Wereldoorlog de voorkeursbehandeling bij meer dan honderd min of meer goedaardige aandoeningen, variërend van wratten, gewrichtsaandoeningen, persisterende neusbloedingen, astma en hooikoorts. Zelfs in de jaren vijftig werd röntgentherapie (of de daaraan sterk verwante radiumbestraling) nog veelvuldig toegepast op keel- en neusamandelen, als een alternatief voor de chirurgische verwijdering. Door de straling slonk het lymfoïde weefsel rond de opening van de buis van Eustachius, de verbinding tussen keel en middenoor, waardoor er weer een open verbinding met het middenoor kwam. De Amsterdamse keel-, neus- en oorarts H.A.E. van Dishoeck (later professor in Leiden) behandelde vanaf 1945 honderden kinderen met een recidiverende middenoorontsteking met radiumbestraling (Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 1950;94:224-7). Hij achtte radiumapplicatie 'bij een juiste indicatiestelling, en voorzichtig aangewend, een machtig wapen bij de bestrijding en voorkoming van bepaalde vormen van doofheid.' Van Dishoeck was zich er wel degelijk van bewust dat er aan deze therapie gevaren waren verbonden. Weliswaar waren er tijdens de sessies nooit verbrandingen opgetreden, maar de mogelijkheid van atrofie of necrose na meer dan 10 of 20 jaar kon volgens hem niet worden uitgesloten (over kanker sprak hij niet). Van Dishoeck benadrukte daarom dat de dosis en de applicatieduur zo laag mogelijk moesten worden gehouden. 'Gelukkig', zo ging hij verder, 'was de gebruikte dosis gering.' Die bestond bij hem uit 25 milligram radiumbromide gedurende 17 minuten en dat, afhankelijk van de klachten, een of meer keren herhaald.

Nagasaki-hoeveelheid

Op een hoorzitting in de Verenigde Staten, gewijd aan deze techniek, schatte de bestralingsspecialist Stewart Farber dat het lymfeweefsel daarbij werd blootgesteld aan een dosis straling van 20 Gray (2000 rad). Farber noemde dit een 'Nagasaki-hoeveelheid'. De hersenen van deze kinderen zouden zelfs aan een hogere stralingsdosis blootgesteld zijn dan die van de slachtoffers destijds in Japan (Lancet 1994;344:740-1).

In die tijd werd zogenoemde Bucky-straling, zeer zachte röntgenstraling, nog gebruikt voor de behandeling van wijnvlekken in het gezicht. Die werden daardoor minder zichtbaar, maar de huid was voorgoed beschadigd. Verder stonden er in de betere schoenwinkels nog steeds röntgenfluoroscopen, waarmee men op een fluorescerend scherm konden zien of de schoen voldoende ruimte bood voor de tenen. Deze apparaten werden vooral bij kinderen gebruikt en die werden zo blootgesteld aan een substantiële dosis bestraling van de voeten en een strooistraling van de geslachtsdelen. Pas tegen het eind van de jaren vijftig jaren begon men in te zien dat dit een ontoelaatbaar risico op beschadiging van de groeiende botten betekende en dat dit mogelijk ook bloedkanker veroorzaakte. Toen werden deze apparaten uitgebannen.

Röntgenstralen hebben, net als radioactieve stoffen zoals radium, een ioniserend effect, waardoor schade kan ontstaan aan het genetische materiaal. Gelukkig kunnen de lichaamscellen zich tegen die nadelige gevolgen weren door een stelsel van DNA-reparatieprocessen. Zolang dit reparatiesysteem intact is, wordt alle schade (bij overmatige blootstelling: bijna alle schade) hersteld. Er zijn echter mensen met aangeboren afwijkingen in de DNA- reparatieprocessen en bij hen kan zelfs een kleine dosis straling wel degelijk kwaad. Zo is dit jaar het gen opgespoord van mensen die lijden aan ataxia teleangiectasia (Science 1995;268:1749-53). Die zeldzame ziekte gaat gepaard met een merkwaardige combinatie van symptomen, zoals evenwichtsstoornissen door afwijkingen in de kleine hersenen (ataxie), typische vaatverwijdingen (teleangiectasieën), een gestoorde afweer en daarnaast een grote gevoeligheid voor bloed- en huidkanker. Patiënten met deze ziekte kunnen absoluut niet tegen straling; radiotherapie veroorzaakt bij hen grote wonden. Ze vertonen een sterk verminderd vermogen om DNA-schade na bestraling te repareren.

Borstkanker

Ataxia teleangiectasia is een recessief erfelijke aandoening. Dat betekent dat iemand twee kopieën van het ataxia-gen moet erven om de ziekte te krijgen, van iedere ouder één. Amerikaanse epidemiologen hebben echter berekend dat vrouwen met één enkele defecte kopie van het ataxia teleangiectasia-gen (AT-gen) zeker vijf keer zoveel risico op borstkanker lopen als anderen. Als dit juist is, zou een defect in het AT-gen de meest voorkomende op zichzelf staande oorzaak zijn van borstkanker, want de ziekte ataxia teleangiëctasia mag dan zeldzaam zijn (10 à 20 per 1000.000), zeker 1% van de bevolking is in het bezit van één defect AT-gen!

De Amerikaanse epidemiologen denken zelfs dat vrouwen met één zo'n defect AT-gen zodanig extra gevoelig worden voor straling dat het nut van de vroege ontdekking van borstkanker met behulp van een mammogram weleens overtroffen zou kunnen worden door het risico dat deze bestraling voor hen oplevert. Echt aannemelijk lijkt dit niet, daarvoor is de dosis straling van het mammogram te klein. Anders ligt dit voor het therapeutisch gebruik van röntgenbestraling bij bijvoorbeeld kanker. Daarbij zou de overgevoeligheid voor röntgenstraling van deze mensen met één defect AT-gen wel degelijk een rol kunnen spelen.

    • Bart Meijer van Putten