Duitsland ná Hitler moet verplicht deel worden van geschiedenisles

Nederlandse jongeren hebben nog steeds een negatief beeld van Duitsland en Duitsers. De jeugd vindt Duitsers 'niet sympathiek', bleek onlangs uit onderzoek. J.C. Hess heeft drie ideeën om daar wat aan te doen.

Is er nog steeds iets mis met het beeld dat Nederlandse jongeren hebben van Duitsers en Duitsland? Blijkens NRC Handelsblad van 7 oktober wel. Op de voorpagina meldde de krant: 'Jongeren vinden Duitsers nog steeds niet sympathiek'. Het was de uitkomst van een onderzoek aan de Leidse universiteit waarvoor ruim duizend jongeren van veertien tot negentien waren ondervraagd. Twee weken voor het bezoek van Bondspresident Herzog aan Nederland gepubliceerd, zou dit nieuwe onderzoek aanleiding moeten zijn de discussie over de beeldvorming van Duitsers in dit land te heropenen.

Een doel van deze discussie zal uiteraard moeten zijn de gegevens van de nieuwe enquête nader onder de loep te nemen. Wat zouden deze keer de achtergronden zijn van de kennelijk nog altijd negatieve beeldvorming? Want het mag dan niet meer zo erg zijn als bij het veelbesproken Clingendael-rapport van twee jaar geleden, het blijft schrikbarend dat slechts 44 procent van de jongeren Duitsland een vredelievend land vindt. Het historische vijandbeeld zit blijkbaar nog diep en komt het meest vrijuit naar voren in uitspraken van jongeren, die nog niet geneigd zijn hun woorden uit overwegingen van tact enigszins aan te passen.

Behalve de vraag naar de achtergronden van het jongste onderzoek blijft er de minstens zo belangrijke vraag naar de praktische conclusies die eruit te trekken zijn. Nu valt niet te ontkennen dat er al heel wat op stapel staat. Wie het laatste desbetreffende stuk uit Zoetermeer kent, weet dat het ministerie van onderwijs, cultuur en wetenschappen grootse dingen van plan is: een Duitsland-instituut in Amsterdam, een verdere uitbouw van het al bestaande zwaartepunt voor Duitslandstudies in Nijmegen en een expertisecentrum voor de studie van de Duitse taal in Utrecht. Tot zover prima!

Maar naast deze initiatieven, die pas op langere termijn vruchten kunnen afwerpen, zou er iets moeten worden gedaan om de Nederlandse jongeren veel sneller te bereiken. Hiervoor wil ik de volgende drie ideeën aandragen:

Ten eerste: een langdurige campagne voor het leren van de Duitse taal. Sinds tien jaar organiseren wij aan de Vrije Universiteit samen met de universiteit van Münster een jaarlijkse studieweek in Bad Münstereifel met studenten uit Amsterdam (tien historici en tien germanisten) en Münster (tien neerlandici). Dit is een groot succes, maar wat mij steeds opnieuw zorgen baart is de stemming onder de Nederlandse studenten Duits. Zij vertellen keer op keer hoe zij permanent gedwongen zijn hun studiekeus te verdedigen. Tegenover de eigen familie, tegenover hun vrienden en tegenover medestudenten in andere vakken. Allemaal werpen zij hen voor de voeten hoe ze dit 'afgrijselijke' vak hebben kunnen kiezen. Neem hierbij het geringe en nog steeds niet toenemende aantal studenten Duits in Nederland, en er wordt een groot probleem zichtbaar.

Toen Helmut Kohl in januari Nederland bezocht, werd hij bij zijn uitermate aimabele presentatie maar één keer wat scherp, namelijk toen hem werd verteld over de geringe aantallen studenten Duits in Nederland. “Das wird sich rächen”, was zijn commentaar. Dat liegt er niet om. Inderdaad, Nederland kan zich niet permitteren dat er straks niet meer voldoende kennis van de Duitse taal in het land aanwezig is.

Maar wat kun je eraan doen? Mijn voorstel is een brede campagne, onder andere met posters op alle scholen. De tekst op de posters zou kunnen luiden: 'Leer de talen van je buren!', 'Leer Duits!', maar ook: 'Leer Frans!'. Nederland heeft in het algemeen meer talenkennis nodig als het economisch wil overleven en daarom zou de campagne zich ook op het Frans moeten richten. Maar Duits zou toch net iets meer nadruk moeten krijgen. Als resultaat hoop ik dat meer jongeren op school weer talen kiezen en dat degenen die Duits kiezen als eindexamenvak of vervolgstudie dit met een goed gevoel kunnen doen en niet tegen hun omgeving in.

De campagne die het Nationaal Actieprogramma Vreemde Talen voor deze herfst heeft opgezet, is een grote stap in de goede richting. Het gaat er echter om, als je tenminste werkelijk resultaat wilt boeken, de al begonnen campagnes uit te breiden en voor continuïteit te zorgen. Het Nationaal Actieprogramma, dat eind dit jaar zal worden beëindigd, dient te worden voortgezet met steun van het ministerie van onderwijs.

Ten tweede: het aantrekken van veel meer taalassistenten. Volgens gegevens van het ministerie te Zoetermeer worden in het onderwijs nu vijftien tot twintig 'taal-assistenten' uitgewisseld met Duitsland. Dat is nog veel te weinig. Meer dan duizend Duitse studenten doen inmiddels aan diverse universiteiten het vak Nederlands. Velen van hen zullen een verblijf in Nederland als taalassistent verwelkomen. Dit is een kans die gebruikt zou moeten worden. Als taal-assistenten kunnen zij de Nederlandse scholieren op een overtuigende manier informeren over het Duitsland van nu. Verder kunnen zij een grote bijdrage leveren om Duits tot een werkelijk leuk vak te maken.

Hier ligt een bron van enthousiasme die voor relatief weinig geld kan worden aangeboord. Er hoeven niet eens wachtgelden te worden betaald! Natuurlijk moeten er wel veel meer Duitse taalassistenten naar Nederland komen dan omgekeerd - er zijn hier tenslotte veel meer scholen waar Duits wordt onderwezen dan er in Duitsland scholen zijn waar Nederlands wordt gegeven. En er zijn, zoals gezegd, zelfs meer Duitse studenten die Nederlands doen dan omgekeerd.

Ten derde: De Duitse geschiedenis na 1945 verplicht onderdeel maken van het geschiedenisonderwijs. Spreekt men Nederlandse docenten geschiedenis, dan beamen zij allemaal dat de naoorlogse Duitse geschiedenis in het Nederlandse onderwijs een belabberde positie inneemt. De jongeren zelf geven ook aan er maar weinig van te horen. Hier valt maar een ding aan te doen: stel de Duitse geschiedenis na Hitler verplicht voor alle leerlingen in het vak geschiedenis.

Ik hoor de tegenwerpingen al: het curriculum geschiedenis is al zo overbelast, waarom de Duitse geschiedenis na 1945 wèl verplichten maar de Franse, Engelse, Amerikaanse, Russische niet? Om met het laatste te beginnen: uitgangspunt is nu juist dat er iets grondig mis is met het beeld dat de Nederlandse jeugd heeft van Duitsers en Duitsland, niet met dat van Frankrijk, Engeland, Amerika of Rusland. En juist het vak geschiedenis biedt een hefboom om de vooroordelen over Duitsland aan te pakken.

Zo zullen ten minste degenen die het vak geschiedenis nog volgen (helaas in de hogere klassen nog maar dertig tot veertig procent van de leerlingen) het oude vijandbeeld kunnen doorbreken wanneer ze kennismaken met de verrassende naoorlogse ontwikkeling van Duitsland. De politieke geschiedenis sinds 1945 is ook als voorbeeld van een succesvol democratiseringsproces uiterst boeiend. Men moet haar kennen, wil men in het huidige Europa adequaat kunnen reageren op internationale processen.

Duitsland als goede buur, gepresenteerd in het taal- en geschiedenisonderwijs, wordt dat niet iets te veel van het goede? Laten we ons daar maar geen zorgen over maken: de Nederlandse seismograaf zal ten aanzien van de ontwikkelingen aan de andere kant van de oostgrens wel steeds gevoelig blijven.

En waarom ook niet? Schopenhauer heeft gezegd dat 'alles vergeven en vergeten' ook betekent: nuttige ervaringen weggooien. Dus laat ook de jeugd gerust met bijzondere aandacht naar Duitsland kijken. Maar dan wel met meer kennis en minder vooroordelen dan velen van hen nog altijd blijken te koesteren.

    • Dr. J.C. Hess