Doodsangst in drankzucht gesmoord

Voorstelling: Niemandsland van Harold Pinter door Impresariaat Wim Visser. Vertaling: Carel Alphenaar; decor: Paul Tames van den Berg; regie: Mette Bouhuys; spelers: Henk van Ulsen, Rudolf Lucieer e.a. Gezien 10/10 Schouwburg De Meerse, Hoofddorp. Tourne t/m 10/12.

Op 10 oktober deze week vierde de Engelse toneelschrijver Harold Pinter zijn vijfenzestigste verjaardag. De première van Niemandsland (1975) viel juist op die dag, als een geste van regisseuse Mette Bouhuys aan de toneelschrijver die ze bewondert en van wie ze veel werk heeft geënsceneerd. Totnogtoe heb ik de band tussen Pinter en Bouhuys altijd een gelukkige gevonden; zoals zij Een soort Alaska en De minnaar op het toneel bracht, leek me maatgevend. Precies, met humor, en tegelijkertijd dreigend-mysterieus.

Dat waren produkties voor kleine zalen. Nu stonden Pinters personages bij de première in de grote zaal van schouwburg De Meerse in Hoofddorp, en bleef de verwachte fascinatie uit. Het onuitgesprokene dat het wezen van Pinters dramaturgie uitmaakt, was niet onuitgesproken genoeg; het tasten naar de waarheid was niet tastend genoeg en de doodsangst waarvan het stuk is doortrokken werd te zeer in drankzucht gesmoord. Het Niemandsland uit de titel is het ijzige, koude gebied van wie zich eenzaam voelt en waar de uren zich monotoon aaneenrijgen. Daarin leeft hoofdpersoon Hirst (Henk van Ulsen). In een café ontmoette hij Spooner (Rudolf Lucieer), een man die hem zijn vriend noemt en hem vereert met nachtelijk bezoek. Er ontwikkelt zich een bizarre conversatie, waarin heftige vragen aan de orde komen. Hebben de twee een gedeeld verleden of niet? Wat is Spooners herkomst? Bestaat hij wel, of is hij een spookbeeld? En, nu we toch ongebreideld interpreteren: Leeft Hirst al in de onderwereld, het niemandsland, en krijgt hij daar bezoek van Spooner?

Het werk van Pinter is welbewust open; de zekerheden hangen aan dunne koordjes. Tijdens de voorstelling moet de toeschouwer zich gedwongen voelen een coherent beeld te vormen, anders raakt hij het spoor bijster of verliest de aandacht. In het eerste deel stichtte Rudolf Lucieer als aalgladde, zich soepel bewegende indringer op trefzekere manier verwarring. Zei Hirst dat hij een buitenhuisje had, dan had Spooner ook ineens een buitenhuisje. Want mensen praten elkaar na, om bij elkaar in de smaak te vallen. Het weidse, onbehaaglijk blauwgroene decor versterkte het gevoel van vervreemding. Later verdween de spanning; Henk van Ulsen maakte een transformatie door van een man met vitale momenten naar iemand die in berustende lijdzaamheid zijn leven kapotdrinkt. Daardoor intrigeerde niet langer de vraag wat nu werkelijkheid en waanzin was; het was kortweg de drank die de raadsels geen raadsels meer deed zijn.

Ergens zegt Lucieer: “Het is de fles die wonden slaat.” Dat blijkt slechts ten dele waar, want wonden werden er nauwelijks geslagen in de voorstelling. Ik denk dat het samenspel moet groeien en dat er meer precisie moet komen om de geheimzinnigheid van Pinters wereld te verbeelden. Lucieer zou dreigender moeten zijn, Van Ulsen vileiner, ja, ze moeten elkaar eigenlijk naar het leven staan. Met woorden. Dan zou deze versie van Niemandsland ten voeten uit 'een echte Pinter' zijn.

    • Kester Freriks