Dingelam-effect

Bij het schrijven over het 'Dingelam-effect' in W&O van 28 sept. moet Ton van Raan toch wel even hebben zitten slapen. Hij noemt de vijf meest productieve c.q. geciteerde wetenschappelijke onderzoekers van Nederland, Beenhakker, van Boom, Borst, Bos en Buschow. Met de namen naast elkaar zie je het al, allemaal met beginletter B, suggererend dat het resultaat van de 'metingen' een forse vertekening vertoont naar de beginletters van het alfabet. Deze ligt in het feit, dat in tegenstelling tot wat TvR beweert, het vrij gebruikelijk is dat de namen van co-auteurs in alfabetische volgorde worden geplaatst; zelfs als dit maar bij de helft van de artikelen zou gebeuren, zou dit de vertekening volledig veklaren.

Om dit hard te maken heb ik de frequentie van de beginletters A en B geteld in de lijst van wiskundigen van 1990 (uitgever: Wiskundig Genootschap & CWI): 2,2% A en 12% B. Als we deze verhouding doortrekken naar alle wetenschappers, vinden we een kans kleiner dan een op 10.000 om uit deze groep op willekeurige wijze vijf namen met beginletter A of B te trekken. Iedere statistische toets zou op grond van deze uitkomst de hypothese 'geen vertekening' verwerpen.

Het is niet uitzonderlijk, dat er in het groepje van vijf geen A's zijn, want de kans om bij een verhouding 2.2:12 vijf B's te trekken uit de subgroep van A's en B's is groter dan 40% en is dus heel acceptabel.

In grote laboratoria is samenwerking en samen publiceren de regel, vaak met zes of meer; de kans dat er bij een artikel met zes auteurs (minstens) een auteur een naam met beginletter B heeft en dus vooraan staat, is meer dan 50%. Als Van Boom dus op de Belgische manier onder de V in plaats van de B was gecatalogiseerd, zou hij geen schijn van kans gehad hebben om ooit in dit toplijstje van TvR door te dringen, zelfs als hij co-auteur was van honderd maal zoveel artikelen als Borst.

    • P. de Groen