De geschiedenis van een omroepstad; Een gespreid bed, maar wie wil er nog liggen?

Hilversum maakt ook door-de-week een zondagse indruk, al is het de bakermat van zowel de publieke als de commerciële omroep. De stad met dorpse allure koestert de zendgemachtigden, maar lang niet alle programmamakers vertoeven er graag. Twee tentoonstellingen getuigen van een haat-liefde-verhouding.

Hilversum en de omroep, in het Goois Museum (Kerkbrink 6) en het Omroepmuseum (Oude Amersfoortseweg 121-131) in Hilversum, t/m 7 jan. C.M. Abrahamse en C. Cabout (red.): Hilversum en de omroep. Uitg. Verloren, ƒ 3O.

Hilversum is te saai voor woorden. Te lelijk ook. Stap het karakterloze nieuwe station uit - door de NS meedogenloos ontdaan van de Intercity-status - en zie het panorama dat zich ontvouwt: een schots en scheve opeenhoping van plompe nieuwbouw en dorpse eengezinshuisjes die aan alle kanten met smakeloze uitsteeksels zijn gemoderniseerd. Een smal straatje daartussen leidt naar de Groest, die vroeger een boulevard-achtige hoofdstraat moet zijn geweest met veel groen en pittoreske bebouwing, maar nu vooral de bloedsporen vertoont van de projectontwikkeling. Het plein voor het gerestaureerde en door de horeca weer enigszins tot leven gebrachte Gooiland is een zee van kaalslag. En aan de ooit zo idyllische 's Gravelandseweg sneuvelt steeds meer sierlijke vegetatie voor parkeergelegenheden en kantoor-units.

Maar is het er niet, met al die omroepen binnen de gemeentegrenzen, een drukte van belang? Geenszins. In het voetgangersgebied achter de Groest, waar van menig aardig oud huisje een Blokker of een Etos is heeft gemaakt, vullen huismoeders hun boodschappentassen, terwijl pubermeisjes rondhangen voor de etalages van mode- en schoenwinkels. Wie vervolgens dit centrum van de middenstand verlaat en de nog door trotse bomen omzoomde lanen achter de 's Gravelandseweg betreedt, ziet helemaal niemand meer. Het gros van de omroepmedewerkers komt zelden de kleurloze kantoortuinen uit, al was het maar omdat ze buiten niets te zoeken hebben. Tijdens het lunchuur drommen ze samen in hun al even kleurloze kantines. De als omroepcafé aangeduide uitspanning De Jonge Haan herbergt voornamelijk de gepensioneerden onder hen. Zij mijmeren over hun grote reportages van de Elfstedentocht of hun snoepreizen per KLM en ledigen de kelkjes die op bierviltjes op de door Perzische kleedjes bedekte tafels worden geplaatst.

Hoe is het dan toch mogelijk dat dit oord in de rest van het land nog altijd bekend staat als de Gooise Matras? En wie heeft dat in vredesnaam verzonnen?

Het antwoord op de tweede vraag luidt: Jan Vrijman. Hij publiceerde in 1964 in het blad Podium een woedende boutade over de televisiewereld, waaruit hij zelf vanwege een controversiële tv-documentaire was verbannen. Nu men daar tot overmaat van ramp een gedicht van Remco Campert had verboden uit te zenden omdat het woord 'naaide' erin voorkwam, achtte Vrijman de tijd rijp om het Gooi van vergaande hypocrisie te beschuldigen. “Er wordt gedronken en geneukt dat het een lieve lust is”, aldus de heetgebakerde publicist. “De televisieproducers neuken hun assistenten, de regisseurs neuken na de uitzending hun scriptgirls en de sectiehoofden neuken tijdens de uitzending de vrouwen van hun regisseurs. Het is niet te geloven: alles zuipt en naait. Heel het Gooi is één groot matras, en de mooie Gooise hemel lijkt wel het plafond van een derde-rangs-hotel...”

Het kan zijn dat het Hilversumse overspelgehalte in 1964 het landelijke oversteeg. Twintigers en dertigers waren er bijeengedreven, voelden de macht, de glamour en de opwinding van het nieuwe medium televisie door hun aderen stromen, gingen gezamenlijk naar verre lokaties en konden thuis altijd verklaren waarom er overuren moesten worden gemaakt - en waarom er buitenshuis moest worden overnacht. Maar dat was dertig jaar geleden. De overspeligen van destijds zijn alweer decennia lang met elkaar getrouwd. En wat zich sindsdien op dit gebied heeft voltrokken, is niet meer heftiger of schilderachtiger dan hetgeen zich tegenwoordig in andere sectoren van de maatschappij afspeelt.

Nu vindt de bezoeker, tijdens zijn vergeefse speurtocht naar opwinding of schoonheid, nog hooguit een antwoord op de vraag waarom de Nederlandse radio en televisie zijn zoals ze zijn. Ze weerspiegelen immers de middelmatigheid van dit 80.000 inwoners tellende provinciedorp, de liefdeloze modernisering die er huis heeft gehouden, en de onopmerkelijke krant die hier vrijwel ieders lijfblad is: de Gooi- en Eemlander.

Zelfs de auteurs van het informatieve bundeltje Hilversum en de omroep, dat vandaag verscheen bij de opening van twee gelijknamige tentoonstellingen in het Goois Museum en het Omroepmuseum, moeten bekennen dat de omroep in hun dorp weliswaar veel sporen heeft achtergelaten, maar dat er niettemin van “een bruisend cultureel leven” geen sprake is. Het boekje en de exposities gaan dan ook vooral over het ontstaan van de omroep, de bloeitijd van de radio, de techniek en de gebouwen - de eertijds zo karakteristieke en vaak elegante studiogebouwen van de verschillende omroepen, waarop het zicht nu verstoord wordt door aanleunkantoren of door radicale nieuwbouw.

Hoogst lezenswaardig is dan ook het relaas over de buigzaamheid die de gemeente Hilversum door de jaren heen aan de dag heeft gelegd om de omroep als bron van economisch welvaren te behouden. Dat begon toen er in 1918 bij toeval in Hilversum ruimte werd gevonden voor de Nederlandsche Seintoestellen Fabriek, waaruit de omroep voortkwam, dat was nog steeds zo toen de televisie zich in Bussum dreigde te vestigen en dat gaat tot op de dag van vandaag zo door. “Ik wilde alles in Hilversum hebben”, beaamt J.J.G. Boot, die in de jaren vijftig en zestig de machtige burgemeester van het dorp was. “Mijn uitgangspunt was dat elk bedrijf failliet kon gaan, maar de omroep niet. Die zorgt voor blijvend werk in de stad.”

Zo bleef het slechts bij een schrobbering toen de VPRO op een dag de tuinen voor haar villa's volgooide met grind om er parkeerplaatsen van te maken. En hoezeer er nadien ook is gesputterd over uitbreidingsplannen - als het erop aankomt, mogen de omroepen bouwen wat ze willen.

Een paar jaar geleden hield de VPRO een interne enquête over de vraag of een verhuizing naar Amsterdam niet meer bij de eigen programmacultuur zou passen. De meeste programmamakers waren vóór; zij wonen er al. Maar de meerderheid bestond uit administratief personeel dat in het Gooi woont en niet weg wil. Nu is de hoofdstad als vestigingsplaats opnieuw aan de orde, ditmaal bij de AKN (het samenwerkingsverband van AVRO, KRO en NCRV) die een gezamenlijke huisvesting in Amsterdam-Zuidoost als serieuze mogelijkheid beschouwt. “De voordelen van een gebouw dicht bij het culturele hart van Nederland moeten niet worden onderschat”, zegt AKN-directeur Frans Maréchal in Spreekbuis, het personeelsblad voor omroepmedewerkers. “Nu de techniek almaar verandert en veel minder plaatsafhankelijk wordt, zal bovendien de status van Hilversum als historische omroepstad afnemen.”

Maar het Hilversums gemeentebestuur zal zich tot het uiterste inspannen om zo'n vlucht uit haar dreven te voorkomen. “Geen omroep Hilversum uit”, luidt het motto van twee in het boekje geciteerde wethouders. “Als er één schaap over de dam is, volgen er meer.” Zo weinig vertrouwen hebben ze dus in de blijvende aantrekkingskracht van hun zo lelijk uit zijn krachten gegroeide gemeente. En ze hebben gelijk.

    • Henk van Gelder