Anti-intellectuele intellectuelen

VVD-fractievoorzitter Frits Bolkestein publiceert het ene boek na het andere. De engel en het beest in 1990, Woorden hebben hun betekenis in 1992 en dit jaar Het heft in handen. Bundel na bundel mogen wij wel zeggen. Daar blijft het overigens niet bij, want er zijn ook nog interviews, kranteartikelen en redevoeringen. Bolkestein speelt door dit alles een toonaangevende rol in de publieke discussie. Hij is, met andere woorden, een echte intellectueel.

Tegelijkertijd lezen wij echter ook voortdurend dat hij niets ziet in intellectuelen in de politiek. Een groot interview met hem in deze krant verscheen onder de kop: 'Noemt u mij alstublieft geen intellectueel'. Tijdens een optreden bij Ischa Meijer zei hij dat de betekenis van intellectuelen en van het intellect sterk wordt overschat. In een recensie van Edward Saids boek over Representations of the intellectual wees hij erop dat intellectuelen in de politiek een slechte naam hebben. In een interview met Het Parool sprak hij geringschattend over “intellectuelen als Jacob Kohnstamm”, die niet over de voor de politiek vereiste “bruutheid” beschikken. In een gesprek met Vrij Nederland zei hij: “Daar komt bij: kijk, intellectuelen die het zout in de pap waard zijn, dat zijn natuurlijk perfectionisten. Ze gaan met een bepaald onderwerp aan de haal en diepen dat tot op de bodem uit. Dat kun je niet doen in de politiek. Zeker niet als je een politiek leider bent.” Elders in dit interview merkte hij op: “Laten we even kijken naar de geschiedenis. Hoeveel intellectuelen hebben succes gehad in hun politieke carrière? Churchill en De Gaulle, dat kwam door de omstandigheden, Adlai Stevenson verloor twee keer van Eisenhower. In de Nederlandse politiek van na de oorlog zie ik geen intellectuelen”.

Dit is, eerlijk gezegd, een wat vreemde gedachtengang, want Churchill en De Gaulle kun je toch niet echt intellectuelen in de politiek noemen. Zij gingen niet naar de universiteit, maar bezochten de officiersopleiding, respectievelijk Sandhurst en St. Cyr. Nu zijn dit stellig uitstekende scholen, maar militaire opleidingen worden doorgaans toch niet als kweekplaatsen van intellectuelen beschouwd. Wie Churchill en De Gaulle intellectuelen in de politiek noemt, beschouwt eigenlijk iedere grote staatsman als een intellectueel. Stevenson daarentegen was wel een intellectueel, maar die had nu juist geen succes. Succesvolle intellectuelen in de Nederlandse politiek van na de oorlog zijn er daarentegen genoeg: Van Riel, Oud, Den Uyl, Schermerhorn, Van Kemenade, Van Mierlo, Bolkestein en ga maar door. Al dezen zijn of waren in de gebruikelijke betekenis van het woord meer intellectueel dan Churchill of De Gaulle en hadden min of meer geslaagde politieke carrières.

Het is overigens niet onbegrijpelijk dat juist een intellectueel als Bolkestein afstand neemt van intellectuelen in de politiek. Hans Wiegel hoeft niet bang te zijn voor het gevaar dat hij als een tobberige intellectueel zal overkomen. Iemand wiens reputatie als intellectueel onaantastbaar is daarentegen en die qua kennis en intellect boven zijn collegae uitsteekt, kan zich niet alleen permitteren, maar doet er wellicht zelfs goed aan, af en toe te poseren als een anti-intellectuele zakenman of zelfs bruut. De afstand die Bolkestein neemt van de weifelzuchtige intellectuelen van D66 - Kohnstamm wordt genoemd, maar Van Mierlo wellicht bedoeld - is daarom begrijpelijk. Zolang Wiegel nog op de reservebankjes zit en De Telegraaf nog aarzelt, kan Bolkestein elke rol spelen die hij wil, die van de Koopman van Venetië en van Timon van Athene, van Prospero en Polonius, maar niet die van Hamlet.

Deze anti-intellectuele houding van de intellectueel heeft iets paradoxaals, maar ze is in deze context dus wel begrijpelijk. Nieuw is ze trouwens niet. Het is een opstelling die men wel vaker tegenkomt, met name in Engeland, waar het begrip intellectueel akelige continentale connotaties oproept. “We British don't take our intellectuals so seriously”, schreef de typisch Britse intellectueel D.W. Brogan eens en met dat so bedoelde hij: zoals de Fransen. De zaak is echter nog paradoxaler omdat juist in het land waar de intellectueel werd uitgevonden ook zijn tegenvoeter, de anti-intellectuele intellectueel, ontstond, namelijk in het Frankrijk van de Dreyfus-affaire.

Op 13 januari 1898 publiceerde Emile Zola zijn beroemde open brief J'accuse. De volgende dag verscheen de grote adhesiebetuiging van een aantal intellectuelen die als 'Le Manifeste des intellectuels' bekend zou worden. Nog een dag later, de 15e dus, noteerde de bekende diplomaat Maurice Paléologue in zijn dagboek een boutade van Ferdinand Brunetière, de invloedrijke essayist en hoofdredacteur van de Revue des Deux Mondes, over de pretentie van de intellectuels, zoals hij ze noemde, om als een soort supermensen over van alles en nog wat te oordelen. Brunetière vond dit een dwaze overschatting van het intellect. In het sociale leven zijn wilskracht en karaktervastheid, ervaring en een gezond oordeel belangrijker.

Er is geen enkele reden, zo betoogde Brunetière, om in zaken van politiek, recht of moraal enige speciale betekenis toe te kennen aan de intellectuelen. In het maatschappelijk leven zijn zij niets meer waard dan een zakenman, een militair of een landbouwer. Hun pretenties zijn daarom onaanvaardbaar. In een democratie is geen enkele vorm van aristocratie acceptabel en zeker geen intellectuele, want die is van alle het moeilijkst te bewijzen.

Met Brunetière was ook Maurice Barrès, de beroemde schrijver en grote ideoloog van het Franse nationalisme - een echte intellectueel dus! - een intellectuelenbestrijder van het eerste uur. In een artikel in Le Journal van 1 februari 1898 trok hij fel van leer tegen wat hij noemde “die bende halve intellectuelen, die zogenaamde intellectuelen, die mislukte genieën, die vergiftigde povere geesten”. Barrès verzette zich met name tegen drie fouten van de intellectuelen. De eerste is hun pretentie een elite te zijn, een groep die boven de gewone Fransen uitsteekt. De tweede belangrijke fout van de intellectuelen is hun individualisme, hun gebrek aan gemeenschapsgevoel. Maar hun voornaamste dwaling is dat zij de maatschappij willen laten rusten op rede en logica in plaats van op het historisch gegroeide, op wat bij Barrès niet 'bloed en bodem' heette maar la terre et les morts.

Bolkestein plaatst zich dus als anti-intellectuele intellectueel in een bepaalde intellectuele traditie, maar niet bepaald in een liberale intellectuele traditie.

    • H.L. Wesseling