16.777.216 kleuren

Kort voor de Tweede Wereldoorlog woonde ergens in Den Haag een man die uit New York een echte Mondriaan had meegebracht. Een streng wit doek, met wat kaarsrechte gele en blauwe strepen. Tot onbegrip en hilariteit van zijn vrienden was hij zeer verknocht aan 'die theedoek' die prominent in zijn woonkamer hing. Zo'n stel strepen op linnen zetten, dat kon toch iedereen! Toen de man weer eens voor zaken naar Amerika ging, zagen de vrienden hun kans schoon hun gelijk te bewijzen. Met behulp van een ervaren schilder en een tientje voor de werkster vervingen ze heimelijk de Mondriaan door een kopie. Als de eigenaar een maand na terugkomst nog niets in de gaten had, zo spraken zij af, zouden ze hem feestelijk als poseur te kijk zetten.

Zover kwam het niet. De eerste keer dat de vrienden zich na zijn terugkeer in het huis van de man verzamelden voor een glas port en een goed gesprek, hing er een ander schilderij boven het dressoir, een landschapje. De vrienden keken elkaar wat ongemakkelijk aan, maar pas na het derde port durfde er een te informeren waar toch de grote liefde van hun gastheer gebleven was. 'Ach,' sprak die gelaten, 'misschien hadden jullie wel gelijk. Toen ik terugkwam uit Amerika merkte ik dat het ding me niets meer deed. Gewoon, wat gekleurde strepen op een stuk linnen. Ik heb het maar verkocht.'

Kleur is een subtiel medium waarover het moeilijk praten is, bijna net zo moeilijk als over smaken. Maar een belangrijk medium is het wel: kleur brengt leven. Kleur maakt dingen aantrekkelijk om mee te werken, zoals bij kinderspeelgoed. Kleur helpt ons orde te blijven zien in chaotische omstandigheden, zoals op een voetbalveld of een halmabord. Kleuren kunnen rust brengen, of juist de aandacht op iets vestigen.

Lange tijd was het in de computerij wat dat betreft armoe troef. Het beeldscherm was een zwarte put waarin gifgroene of amberkleurige lettertjes gemeen opgloeiden. Toen het EGA-systeem werd uitgevonden, veranderde dat. Wel zestien kleuren op je buis! Toch stelde dat nog niets voor bij de kleurenrijkdom die we tegenwoordig op het scherm gewend zijn. Daarvoor was het wachten op de VGA-monitor, een voor computerbegrippen wel heel vreemde uitvinding. Midden in de digitale revolutie betekende het VGA-systeem een stap in de omgekeerde richting: van digitaal naar analoog.

Een kleurenbuis, of die nu in een televisie zit of aan een computer hangt, is van binnen aan de voorkant bekleed met een ragfijn regelmatig patroon van fosfordruppeltjes in drie soorten: rood, groen en blauw oplichtend fosfor. Doordat de puntjes in groepjes van drie zo dicht bij elkaar zitten dat we ze met het blote oog niet meer goed los van elkaar kunnen zien, kun je door binnen één groepje puntjes van verschillende kleur tegelijk te laten oplichten verschillende mengkleuren maken. Pakweg 50 keer per seconde (soms meer) tasten drie elektronenbundels - voor elke kleur fosfor één - in een razendsnelle zigzagbeweging het beeldscherm af, ongeveer zoals u ooit op vakantie 's nachts met een zaklamp de kruinen van de bomen aftastte.

Ondertussen knipperen de bundels aan en uit, gehoorzamend aan de opdrachten die via de monitorkabel (of bij een televisie: de zender) de monitor binnenkomen. Sommige puntjes worden door een shot elektronen geraakt en lichten op, andere niet. En presto: daar is het beeld. Werkt een monitor digitaal, dan is het een kwestie van oplichten of niet, en daarmee basta. Op die manier kun je met drie basiskleuren acht combinaties maken, oftewel acht kleuren: de basiskleuren rood, groen en blauw, en verder zwart (alles uit), wit (alles aan), geel (rood plus groen), het lichtblauwe cyaan (groen plus blauw) en het paarse magenta (rood plus blauw). Door nog wat knoeien met de intensiteit van de bundels kwam de EGA-monitor met veel moeite aan zijn zestien tinten.

Bij een VGA-monitor beroeren de elektronenbundels de fosforpuntjes op een veel subtielere manier: ze worden zachtjes geaaid, zodat ze een heel klein beetje opgloeien, of krijgen een forse dreun, met een heldere schittering als gevolg, en iets daar tussenin kan ook. Het is dus geen kwestie van aan/uit, maar van traploos sterker of zwakker. Niet digitaal zoals een aan/uitknop, maar analoog zoals de volumeknop op een radio.

Hoewel er in beginsel oneindig veel combinaties van sterktes en dus van tinten mogelijk zijn, werken de meeste systemen per basiskleur met 256 intensiteiten, precies het aantal waarden dat met de acht bits van een byte uitgedrukt kan worden. Die indeling, het RGB-systeem (Rood-Groen-Blauw), is fijn genoeg om maar liefst 16.777.216 verschillende tinten te kunnen onderscheiden, van diepzwart tot krijtwit. Dat zijn nu de befaamde zestien miljoen kleuren die in veel foldermateriaal voorkomen.

Zoveel kleuren, wie heeft dat nu nodig? Wij allemaal, leren we van de teleurstelling van de Mondriaanliefhebber. Kleur luistert nauw. Maar nooit hebben we ze allemaal tegelijk nodig. Vandaar dat de meeste VGA-videokaarten simpeler in elkaar zitten dan voor alle zestien miljoen kleuren nodig is. Ze kunnen voor elke basiskleur 'maar' 64 verschillende intensiteiten weergeven. Dat levert altijd nog 262.144 verschillende kleuren op, meer dan genoeg omdat de beperkingen van de monitortechniek betekenen dat op het scherm nooit meer dan 256 kleuren tegelijk kunnen verschijnen. Wie echt zestien miljoen kleuren nodig heeft, moet nog een stap verder terug in de ontwikkeling van de techniek - en zich behelpen met linnen en palet.