'Zo zijn wij hier: bovenmenselijk moedig'

SARAJEVO, 11 OKT. Alles is rustig aan het noordelijke front. Een soldaat van de 111de Brigade bespiedt roerloos vanuit zijn schietgat de Servische linie, dertig meter lager op de helling. Naast hem een homp witbrood, drie rauwe uien en een fles water. Vanuit het zuidoosten klinkt als een verre onweersbui het geschut van de regeringstroepen die Sarajevo met de moslim-enclave Gorazde proberen te verbinden. Maar het niemandsland van zwarte boomstompjes tussen de loopgraven van Zuc sluimert vandaag vredig in de nazomerzon.

Beneden in het dal ligt de autofabriek van Vogosca, een palissade met camouflagenetten waaronder tot voor kort Servische kannonnen waren verborgen en de resten van een munitiedepot dat bij de NAVO-bombardementen werd verwoest. “Het leek heel spectaculair, die vliegtuigen van vorige maand”, schampert Sevad Buzubasic, bijgenaamd 'Tito', een voormalige ober die de voorste loopgraven van de 111de Brigade commandeert. “Maar de meeste munitie lag in de verharde bunker onder de grond, die heeft de NAVO niet opgeblazen. En de Servische tanks en kanonnen staan verderop in een tunnel te wachten tot ze weer naar het front worden gerold.”

Aan de verste zijde van het dal, nog net zichtbaar vanuit Zuc, zigzaggen Bosnische loopgraven door het landschap. Een verbinding tussen Sarajevo en Midden-Bosnië, die president Izetbegovic de bevolking van zijn omsingelde stad voor het vallen van de winter beloofde, lijkt hier binnen handbereik te liggen. Maar het regeringsleger slaagde er ook deze zomer niet in de tussenliggende dalen op de Serviërs te veroveren. Het grote offensief van eind juni leek aanvankelijk een succes, maar na enkele dagen werd duidelijk dat het verliep zoals de meeste Bosnische aanvallen: grote verliezen - militaire analisten van UNPROFOR houden het op ten minste 1.200 doden - zonder aantoonbare terreinwinst.

Het mislukte ontzet van Sarajevo is in de loopgraven van Zuc inmiddels verwerkt. De één speculeert dat het geen offensief was, maar een geslaagde verdediging tegen een Servische poging de stad te veroveren. De ander houdt het erop dat het een afleidingsmanoeuvre was voor de ware veldslag, die zich in West-Bosnië afspeelde. Desondanks blijft Sarajevo ook deze winter aangewezen op de voedselkonvooien van de Verenigde Naties en de tunnel onder het vliegveld.

Bij Zuc waant men zich in de Eerste Wereldoorlog. De weg naar het front voert over vier heuvels, bespikkeld met skeletten van woonhuizen. Anderhalve kilometer achter het front verandert het landschap in een schaakbord van smalle loopgraven, dat zich over twee dalen en twee heuvelruggen uitstrekt. De soldaten - die een etmaal frontdienst afwisselen met een etmaal in de kazerne - slapen in aarden holen, verstevigd met hout, metaal en autobanden. Als het regent, loopt het water daar op tot kniehoogte. Tot allesbrander omgebouwde waterboilers verwarmen de bunkertjes.

De heuvels van Zuc zijn in 1992 en 1993 op de Bosnische Serviërs veroverd. In mei 1992 drongen Servische colonnes vanuit het zuiden Sarajevo binnen, in een poging de stad op haar smalste punt in tweeën te knippen. De zuidelijke wijken Grbavica en Hrasno zijn nog altijd in Servische handen; van daaruit wordt de tot 'Sniper Boulevard' omgedoopte hoofdboulevard bestreken, die de oude stad met het vliegveld verbindt. Al wil de Bosnische regering geen Berlijnse Muur door Sarajevo, in de praktijk lopen er tientallen muren van containers, autowrakken en bussen door de straten, waarachter de bewoners schuilen voor sluipschutters.

Aan de noordkant heeft Sarajevo meer ruimte. Hier wist het regeringsleger de Serviërs huis voor huis terug te dringen. Voor de oorlog waren de heuvels bij Zuc dicht bebost, inmiddels zijn alle bomen gekapt om de houtbehoefte van Sarajevo te stillen. “Het hout van Zuc heeft Sarajevo door de oorlogswinters geholpen”, weet kapitein Kosa Mijatovica. “'s Nachts stuurden we onze soldaten zelfs het niemandsland in om het hout te sprokkelen van de bomen die de Serviërs overdag kapot schoten.”

Mijatovica, voor de oorlog historicus, oogt als een broze intellectueel. Hij wacht ons op bij een boerderij achter de loopgraven. Vijftien tamme konijnen huppelen over het erf. Ze worden sneller opgegeten dan ze zich voortplanten, zegt Mijatovica bezorgd. Soldaten werken op de aardappelakkers en groenteveldjes, of luieren in de zon. Iets hoger op de heuvel ligt de met zandzakken verstevigde ruïne van een woonhuis, waarschijnlijk een barak voor 'speciale troepen', die de infanterie te hulp schiet als de tegenstander ergens door de linies breekt. Boven het strijdtoneel wappert een blauwe VN-vlag op een Franse waarnemerspost van UNPROFOR.

De verhalen van Zuc zijn kleurrijk, en nooit op waarheid te controleren. Mijatovica wijst naar een Servische begraafplaats op een heuvel. Zijn kant heeft de Servische graven altijd gerespecteerd, zegt hij, zelfs de twee eikenbomen van het kerkhof heeft men uit piëteit laten staan. Maar de Serviërs namen de begraafplaats begin vorig jaar zo zwaar onder vuur, dat de botten en lijken tientallen meters door de lucht vlogen. Daarna gaat hij over op de martelaren van de Trebevica, die in juli omsingeld werden door Serviërs. Een soldaat die zich overgaf werd de keel doorgesneden, de rest van zijn peloton stortte zich daarop in het ravijn, zo wil het verhaal dat me in de stad al verscheidene malen is verteld. “Zo zijn wij”, zegt Mijatovica met droeve blik. “Bovenmenselijk moedig.”

Zo denkt ook ondercommandant Tito erover. In de eerste dagen van de oorlog had zijn eenheid enkel jachtgeweren, bij elk op de tegenpartij veroverd machinegeweer “was het feest”. Als ober wist Tito niets van militaire strategie, zijn mannen liepen steeds opnieuw in Servische hinderlagen. In januari 1994, toen er een halve meter sneeuw lag, veroverden Servische elitetroepen voor het laatst zijn voorste loopgraven, bovenop de heuvel. Tito: “Ze waren zichzelf al aan het feliciteren en koffie aan het zetten toen wij terugkwamen.” Tito toont enkele gedeukte koffiekannetjes: “Onze trofee.”

Bosnische heldenmoed, in combinatie met een betere bewapening en groeiend militair inzicht, zal de vijand uiteindelijk over de Drina terug naar Servië drijven, voorspelt Tito. “Achter mijn rug ligt mijn eigen huis. Wij hebben geen reserve-staat om op terug te vallen als het misloopt, zoals de Serviërs. Dit jaar was beter dan vorig jaar, volgend jaar zal beter zijn dan dit jaar.”

Generaal Jovan Divjak, ondercommandant van het Bosnische leger, deelt het optimisme van de loopgraven maar ten dele. “Rond Sarajevo zijn de Serviërs te sterk voor ons”, erkent hij. “Om de stad te bevrijden ontbreekt het ons aan zware artillerie, aan goed opgeleide troepen die diep in de Servische linies kunnen doordringen, aan helikopters om troepen achter de Servische linies te droppen, aan betrouwbare informatie over de Servische verdediging. We zijn nog steeds aangewezen op frontale aanvallen met infanterie om ons doel te bereiken, op tactieken uit de Eerste Wereldoorlog.”

Divjak relativeert de recente gebiedswinst in West-Bosnië: dat is eerder een geordende Servische terugtocht geweest, denkt hij. “De NAVO stopte met bombarderen en de Kroaten werkten niet meer aan ons offensief mee toen de landkaart van Bosnië eenmaal was verdeeld volgens de oude formule: 49 procent voor de Serviërs, 51 procent voor ons en de Kroaten.” Nu het regeringsleger in West-Bosnië alleen tegenover de Serviërs staat, vreest Divjak een debâcle.

Wellicht wordt zijn regering “over één of twee jaar” gedwongen een verdeeld Bosnië te accepteren, met een etnisch gezuiverd Groot-Kroatië in het westen, een etnisch gezuiverd Groot-Servië in het oosten en een bufferstaatje van moslims in het midden. Zelfs als Sarajevo niet verdeeld wordt tussen de strijdende partijen, zal de stad niet langer het hart van Bosnië zijn, maar een stad op de frontlinie, voorspelt Divjak somber. “Ons rest tot dan niets anders dan doorvechten. De wereld heeft ons de afgelopen jaren een wijze les geleerd: alleen militaire veroveringen tellen.”

    • Coen van Zwol