Luik

Foto: Een adelijke dame die aan lager wal is geraakt. Daarmee valt Luik nog het best te vergelijken. De Waalse stad aan de Maas kan bogen op een rijke geschiedenis. Daarvan getuigt bijvoorbeeld het prachtige, zestiende-eeuwse prinsbisschoppelijk paleis, in het centrum van de stad. De buitenwijken echter bieden een minder glorierijke aanblik. Nauwe straten met eentonige, vaak vervallen huizen, aangevreten door rook.

In de middeleeuwen glorieerde Luik als hoofdstad van het machtige prinsbisdom Luik, dat meer dan de helft van het huidige Wallonië en een deel van Vlaanderen en Nederland omvatte. De stad was nog altijd invloedrijk toen hier in de negentiende eeuw de Belgische industriële revolutie begon. Nog in de jaren vijftig en zestig van deze eeuw liep 'de vurige stede' voorop bij stakingen, zoals in 1950 tegen de terugkeer van koning Leopold III en in de winter van 1960-1961 bij de grote arbeidersstakingen.

Van de materiële Luikse rijkdom is nu niet veel meer over. De stad kampt met grote schulden, zo'n 30 miljard frank (150 miljoen gulden). De eens levendige staalindustrie raakte in een crisis en de werkloosheid is hoog: meer dan 25 procent. De stad die ooit 230.000 inwoners had, telt er nu nog amper 193.000. Langs de Maas liggen de stille getuigen van de vergane glorie: vervallen fabrieken, verlaten steengroeven, overwoekerde steenbergen. Toch wordt van de Luikenaars gezegd dat ze zich “nog altijd als 'principautairen' gedragen”, zo schrijft Wallonië-specialist Denise van Dam in Weet je, in Wallonië. “Er wordt wel eens gezegd dat Wallonië bestaat uit Luik en le reste.”

'De vurige stede' was de bakermat van de Belgische industriële revolutie. John Cockerill vestigde er rond 1800 een staalbedrijf, het huidige Cockerill-Sambre, dat nog altijd zijn witte rookwolken uitspuwt boven de voorstad Seraing. Cockerill bouwde voort op de lange Luikse traditie van steenkoolontginning en metaalbewerking. Steenkool werd er in de twaalfde eeuw ontdekt, de oudste mijnputten dateren uit de dertiende eeuw. De zware industrie floreerde in Luik, gestimuleerd door de gunstige ligging nabij een goed bevaarbare rivier en een steenkoolbekken. De bloei duurde tot in de jaren vijftig, toen de crisis inzette in de kolen- en staalindustrie. Zoals vele Luikse bedrijven, moest Cockerill-Sambre het aantal arbeiders drastisch terugbrengen van ongeveer twintigduizend naar de vijfduizend van nu.

Om de werkloosheid in de zware industrie op te vangen, nam de stad in de jaren zeventig massaal ambtenaren in dienst. Op een gegeven moment telde de stad meer dan achtduizend ambtenaren op 200.000 inwoners. Na een pijnlijke sanering bleven daarvan nog 3.700 over. Begin jaren tachtig ging Luik failliet, door een besluiteloos financieel beleid en cumulatie van schulden die de stad sinds 1936 met zich meesleept en die door de schade van de Tweede Wereldoorlog zijn vergroot.

Luik is altijd een turbulente stad gebleven, met als tragisch hoogtepunt de moord vier jaar geleden op socialistisch voorman en burgemeester André Cools. Vandaar de bijnaam Palermo aan de Maas. Ondanks de financiële en andere perikelen is Luik, geboorteplaats van de schrijver Georges Simenon, nog altijd de culturele hoofdstad van Wallonië.

Vorig jaar nam het staalbedrijf Cockerill-Sambre het vroegere Oostduitse Eko Stahl over. Die heropleving van het Luikse staalbedrijf is tekenend voor het recente herstel dat in 'de vurige stede' heeft ingezet. Burgemeester Jean-Maurice Dehousse, tot eind vorig jaar nog minister van onderwijs, probeert het vertrouwen van de Luikenaars te herwinnen. De stadsschuld, hoewel nog altijd hoog, is onder controle, mede dankzij de inbreng van de Waalse regering. Er zijn zelfs plannen voor de bodemloze put op het Place Saint Lambert, waarover al decennia wordt getwist. Maar wat er gebouwd gaat worden op de plek van de put, dat is nog altijd niet zeker.

    • Birgit Donker