Italië wil door nazi's geroofde kunst terug

ROME, 11 OKT. Met een vers-gedrukte catalogus in de hand gaan de Italianen op jacht naar wat minister van cultuur Antonio Paolucci “de laatste krijgsgevangenen” noemt: kunstwerken van Michelangelo, Titiaan, Rafael, Veronese en vele andere grote meesters die in de Tweede Wereldoorlog zijn verdwenen.

De lijst van vermiste werken is gisteren gepubliceerd door een opgetogen Paolucci, die zelf als jong kunsthistoricus in de jaren zeventig heeft gewerkt aan een eerste versie ervan. Zwaaiend met het 339 pagina's dikke boekwerk zei hij: “Dit is een heel belangrijk instrument om een recht uit te oefenen dat essentieel is voor de identiteit van een land, het recht op teruggave van kunstwerken die zijn meegenomen.”

De catalogus bevat 1512 items: schilderijen en tekeningen, beeldhouwwerken, archeologische vondsten, violen van Stradivari en Guadagnini, tapijten, historische kostuums, aardewerk en zilver. Voorop staat een masker van een faun dat wordt beschouwd als een jeugdwerk van Michelangelo. “We weten niet waar het masker is,” zei Paolucci. “Het kan het depot zijn van een Duits of Russisch museum, het kan in een particuliere collectie zitten. Maar we hopen het te vinden.”

Binnenkort wordt een commissie in het leven geroepen die de kunstwerken uit de catalogus moet gaan opsporen. Minister van buitenlandse zaken Susanna Agnelli, ook aanwezig bij de presentatie op het Romeinse Capitool, heeft gezegd dat hierbij ook de ambassades en consulaten worden ingeschakeld.

Van de meeste kunst staat vast dat zij is meegenomen door Duitse troepen die in 1944 op de vlucht sloegen voor de oprukkende geallieerden. Sommige zijn met het pistool in de hand gestolen, andere zijn simpelweg van de spijker getild of uit de vitrine gehaald toen niemand keek. De catalogus documenteert waar mogelijk welke Duitse divisie ze heeft meegenomen. Vermoed wordt dat veel van deze gestolen kunst is doorverkocht of vanuit Duitsland is meegenomen door het Russische Rode Leger.

Dat Italië recht heeft op die kunstwerken, staat voor Paolucci niet ter discuccie. “Het Congres van Wenen heeft in 1815 al bepaald dat kunst niet mag worden gebruikt als oorlogsbuit.” Maar hij geeft toe dat de zaak niet altijd simpel ligt. Een aantal voorwerpen uit de catalogus is geëxporteerd met de officiële papieren van de Republiek van Salò, het fascistische marionettenregime dat de Duitsers in 1943 instelden. “Die toestemming is vaak gegeven als een gunst aan de Duitsers,” zegt Paolucci. “Wij beschouwen nu de besluiten van de Republiek van Salò als illegaal, maar het is een delicaat juridisch probleem. In ieder geval is de schijn van legaliteit aanwezig.”

Minister Agnelli voegde daaraan toe dat het recht op restitutie niet onverkort kan gelden. Als een kunstwerk al een paar keer is doorverkocht “zijn de juridische problemen waarschijnlijk niet te overwinnen”.

Paolucci zegt dat van de meeste kunstwerken in de catalogus onbekend is waar zij zijn - één is inmiddels teruggevonden, een schilderij dat onder een andere naam al in 1952 is teruggegeven aan Italië. Hij sluit niet uit dat sommige ervan door Italianen zijn gestolen: “Niemand zou zich daarover verbazen.” Maar het staat vast dat de grote meerderheid is meegenomen door de Duitsers. Soms is een museum in één keer vrijwel leeggehaald of werd een hele schilderijencollectie in vrachtwagens geladen. Een van zijn medewerkers zegt dat voor sommige kunstwerken, zij schat iets meer dan tien procent, zeer sterke vermoedens zijn dat zij in de depots van een bepaald Duits of Russisch museum staan.

De catalogus is eigenlijk het geesteskind van Rodolfo Siviero, een kunsthistoricus met de rang van minister die direct na de oorlog door het ministerie van buitenlandse zaken is belast met het opsporen van vermiste kunst. Siviero, in 1984 overleden, heeft veel ervan teruggebracht naar Italië. “Hij joeg achter kunstwerken aan als achter een beminde vrouw,” zo herinnert Paolucci zich vol ontzag zijn voormalige baas.

De minister zei dat de catalogus begin jaren zeventig al klaar was. Hij vertelde dat er sterke politieke druk werd uitgeoefend om hem niet te publiceren. De tijd werd niet rijp geacht. Bovendien had Italië het grootste deel van de gestolen kunst al teruggehad, onder een internationaal verdrag uit 1946 en een aanvullend Duits-Italiaans akkoord uit 1953.

    • Marc Leijendekker