Exit Akashi, symbool van neutraliteitspolitiek VN

Eigenlijk was Yasushi Akashi al weg. VN-secretaris-generaal Boutros-Ghali kondigde gisteren officieel aan de leider van de VN-vredesmissie op de Balkan terug te trekken, maar de Japanse diplomaat (64) was de afgelopen maanden al in een isolement beland.

De val van de moslim-enclave Srebrenica in juli van dit jaar leidde tot zijn eigen val. De inname van die enclave door de Bosnische Serviërs betekende het einde van de neutraliteitspolitiek van de VN-vredesmacht in ex-Joegoslavië, waarvan Akashi als speciaal gezant het gezicht was geworden. Op de Londense conferentie van de internationale gemeenschap op 21 juli en het daaropvolgende NAVO-beraad werd hij uit de bevelsketen voor de inzet van NAVO-luchtaanvallen gesneden.

Daarmee was de man, die vanaf zijn aantreden in december 1993 wegens zijn verzet tegen luchtaanvallen in Bosnië vaak messcherpe kritiek kreeg van de Bosnische en Amerikaanse regering, ineens veroordeeld tot de rol van toeschouwer tijdens de recente NAVO-bommencampagne tegen de Bosnische Serviërs. Doordat de Verenigde Staten niet alleen binnen de NAVO, maar ook op het diplomatieke vlak de leiding namen, met de vredesmissie van Richard Holbrooke, waren in alle opzichten zijn dagen geteld. Exit Akashi, voldoening in Sarajevo en Washington.

Het is een tamelijk roemloze aftocht van een als rasdiplomaat omschreven man, die met sterke papieren zijn intrek had genomen in het hoofdkwartier van UNPROFOR in Zagreb. Akashi, oud-VN-ambassadeur voor Japan en ex-ondersecretaris-generaal bij de VN, had een succesvolle vredesmissie in Cambodja achter de rug, waar hij erin was geslaagd de strijdende partijen na een lange burgeroorlog naar verkiezingen te leiden. Hij stond daarbij te boek als “internationalist”, een man van rede en discussie, wiens wil niet per se wet hoeft te zijn.

Hij trad min of meer tegelijk aan met de Britse bevelhebber van de VN-vredesmacht in Bosnië, Sir Michael Rose. Beiden werden vorig jaar april zwaar op de proef gesteld toen de Bosnische Serviërs de moslim-enclave Gorazde onder de voet dreigden te lopen. Gedesillusioneerd stelde Akashi een toen al oud dilemma aan de orde: moeten de 'blauwhelmen' niet worden teruggetrokken uit Bosnië als zij noch de vrede met geweld mogen of kunnen afdwingen, noch de burgerbevolking in het strijdgewoel kunnen helpen?

Akashi ging er kennelijk vanuit dat de VN-vredesmacht neutraal kon opereren en met beperkte toepassing van geweld de partijen kon dwingen zich aan afspraken te houden. Die houding zette de toon: Akashi bleek toen en later zeer weigerachtig en weifelachtig om luchtaanvallen van de NAVO in te zetten tegen de Bosnische Serviërs.

Deze terughoudendheid beschouwden de Bosnische Serviers als een groen licht voor nieuwe offensieven; de moslims bestempelden Akashi als persona non grata, maar ook grote delen van de internationale publieke opinie en diplomatie hekelden hem als laks en naïef, bijvoorbeeld in de omgang met “Doctor Karadzic”, zoals Akashi vermoedelijk als enige internationale diplomaat de leider van de Bosnische Serviërs bleef noemen.

“Akashi belichaamt de VN-cultuur: een bijna religieuze weigering om partij te kiezen”, oordeelde een Westerse diplomaat, eveneens gestationeerd in Zagreb, over hem. Zelf zei hij: “Onpartijdigheid is de grootste deugd van vredeshandhaving, ondanks de ingewikkelde morele en praktische vragen die het oproept. De kostprijs van instemming met een vredesmissie is onpartijdigheid.” Zijn geloof in die onpartijdigheid maakte de vraag of hij niet moest aftreden, voor hem kennelijk overbodig.

Akashi ging daarin zover dat hij talloze aanvallen op VN-soldaten en op konvooien tolereerde. En de zeldzame keren dat er toch op zijn gezag werd ingegrepen, gebeurde het meestal laat en op bescheiden schaal. In diplomatieke kring zette hij kwaad bloed in mei van dit jaar toen hij tijdens de gijzeling van blauwhelmen de Bosnische Serviërs informeel zou hebben beloofd dat er na twee NAVO-luchtaanvallen geen nieuwe acties zouden volgen. Akashi's verzekering tegenover Karadzic dat de nieuwe, snelle reactiemacht, ter bescherming van UNPROFOR, aan de leiband van de VN zou lopen, wekte de toorn van de VS.

Voor mensen die hem al langer kennen, zal Akashi op een voor hun herkenbare manier gehandeld hebben. Sommigen vinden hem een micro-manager, een bureaucraat, een chaoot, die de zaken op zijn beloop laat. Maar anderen zien in hem het schoolvoorbeeld van een democratisch bestuurder. In dat opzicht heeft Akashi op de Balkan slechts gefungeerd als symbool van de internationale onwil en was hij een gezant van zijn tijd: hij opereerde in het vacuüm van besluiteloosheid dat de internationale gemeenschap voor hem had geschapen. Tot voor kort ontbrak duidelijk leiderschap, zowel in Europa als in de VS, en daardoor ook een duidelijke bereidheid tot militair optreden.

Akashi is als bode vermoedelijk gestruikeld over het afwezige leiderschap en zijn niet krachtdadige stijl, maar ook over de harde leerschool die Bosnië als conflict vormt in het post-Koude-Oorlogtijdperk. “Confucius zei dat een middelmatig man die te veel vrije tijd heeft, de neiging heeft zich te buiten te gaan aan slechte daden, dus beschouw ik deze baan als een straf die een wijze godheid mij heeft opgelegd”, zei hij over zijn ondankbare taak. Akashi rest één troost: hij wordt weliswaar bijgezet in het mausoleum van afgedankte Balkan-diplomaten, maar daar heeft hij gezelschap van respectabele collega's als Carrington, Vance en Owen.

    • Robert van de Roer