Een schaakstuk als hartsvriendin

Lang leve de koningin. Regie: Esmé Lammers. Met: Monique van de Ven, Tiba Tossijn, Rudolf Lucieer, Jack Wouterse, Cas Enklaar, Derek de Lint. In 10 theaters.

“Bloemkoolstank! We hebben wel eens een mindere reden voor oorlog gehad,” brult de Witte Koning tegen zijn vrouw. In de kinderfilm Lang leve de koningin wordt het schaakspel teruggebracht tot zijn essentie. Schaken is een voortzetting van oorlog met andere middelen. Maar omdat oorlogen worden begonnen door koningen die zich vervelen, is het spelen van schaak tegelijkertijd de beste manier om een echte oorlog te voorkomen.

Tenminste, deze visie ontvouwt de 36-jarige regisseuse en scenariste Esmé Lammers in Lang leve de koningin. Haar tweede schaakfilm - ze studeerde in 1989 af aan de Filmacademie met De schaker en de dame - is een sprookje over een vaderloos meisje dat voor het eerst gaat schaken en in haar fantasie de stukken tot leven ziet komen. Haar hartsvriendin wordt de Witte Koningin, die net bezig is het schaakspel voor haar echtgenoot uit te vinden en de achtjarige Sara dus goed kan helpen bij het leren van de regels. Samen drillen ze 32 soldaten en hovelingen uit twee buurlanden tot gedisciplineerde legers die elkaar met veel plezier te lijf gaan. Sara leert er zo goed door schaken dat ze via school mag meedoen aan een simultaan met de Zuidafrikaanse grootmeester Bob Hooke - die, zoals dat gaat in sprookjes, haar verdwenen vader blijkt te zijn.

Het is een prachtig verhaal dat Esmé Lammers vertelt, vol van elementen die je als kind (en als volwassene) graag in films en boeken ziet: speelgoed dat tot leven komt (Alice in Wonderland), gescheiden ouders die elkaar terugvinden (Kruimeltje), eigenwijze meesters die op hun nummer worden gezet (Woutertje Pieterse). En omdat Leve de koningin niet aan een laag budget gebonden werd - de produktie was in handen van Laurens Geels en Dick Maas - kon het verhaal ook mooi worden verfilmd. De decors en vooral de kostuums in de wereld van de schaakstukken zijn sprookjesachtig, met wit en zwart als overheersende kleuren, zonder dat het saai wordt.

Er is veel te zien in Leve de koningin, en er gebeurt genoeg. Maar net niet genoeg om te verhullen dat het de film aan vaart ontbreekt. Dat is in de eerste plaats te wijten aan de regie en de montage. Als een schaakbord wordt gepakt, duurt dat seconden; als een trap wordt beklommen komt iedere stap in beeld; als twee mensen met elkaar praten lijken ze beleefd te wachten tot de ander is uitgesproken. Een ander probleem is geworteld in het scenario: Lammers, een kleindochter van Max Euwe, heeft Leve de koningin oorspronkelijk geschreven als een zesdelige televisieserie over schaken. Dat educatieve karakter is in de bijna twee uur durende bioscoopfilm te veel bewaard gebleven: het naspelen van de basisregels maakt de handeling statisch, terwijl er te weinig wordt uitgelegd om de kijkers werkelijk schaken te leren.

Waarschijnlijk zullen de kinderen voor wie Leve de koningin bedoeld is zich hier niet aan storen. Zij zien een fantasierijke film met betoverende plaatjes en aanstekelijk spel van onder meer Monique van de Ven als de Witte Koningin en Rudolf Lucieer als de beurtelings onuitstaanbare en aandoenlijke meester. En zij zien een o zo herkenbare Tiba Tossijn als Sara: een meisje met een goede mimiek, echte schrammen op haar gezicht, en viltstift aan haar vingers.

    • Pieter Steinz