Een open boek in de trein

Daar was de trein die ik hebben moest. Ik bestudeerde de indeling naar klasse en rookwens. Het was een internationale trein buiten het spitsuur: plaats voor allen. Mijn stemming was sereen. Ik stapte in en koos een plaats. Na de coupé met een snelle blik overzien te hebben, vanzelfsprekend. Op enige afstand van een man en een jongen, die wat verderop aan de andere kant van het gangpad gezeten waren, richtte ik me in.

De jas in het rek, de tas op de zitplaats tegenover me, het boek op de schoot, het notitieblocje op het blad aan de raamkant. Niets is - een tijd lang - aangenamer dan zo onder de pannen te zijn, met het potlood in de aanslag boven het te lezen boek. De situatie van een lezer in een trein vertoont iets als een binnenrijm met de wijze van vervoer. De lezer is de trein, rijdend over de rails van zijn boek.

Anderhalf uur lang zou niemand mij storen. Omdat de werkomstandigheden er zoveel prettiger zijn, reis ik eerste klas. Het staat als een paal boven water dat men daar een stuk rustiger zit. En in geval van nood is daar altijd nog die schitterende instelling, de stiltecoupé.

Maar nauwelijks was ik goed en wel begonnen aan mijn lectuur, of daar begon, aan de andere kant van het gangpad, links tegenover mij, de jongen die aan het raam zat en de nacht in keek - te schreeuwen. Schreeuwen? Ja, zo moet ik het toch maar noemen. Als er een volumeknop aan die jongen zou zitten, zou ik hem ongeveer drie keer zo zacht zetten.

- Papa, wie heeft de trein uitgevonden?

- .....

- De oude Grieken, papa?

- .....

- Of Leonardo da Vinci? Heeft Leonardo da Vinci de trein uitgevonden?

- .....

- Papa!

- .....

- En wanneer waren de jonge Grieken dan eigenlijk?

- .....

- Wie waren er eerder, de Chinezen of de oude Grieken? En wat was er hier toen, papa?

- .....

Nee, het was toch geen schreeuwen. De jongen sprak op vol volume, geen twijfel aan, hij sprak zo hard als hij kon, schreeuwen was het in feite niet. Net zo min als je van een snelwandelaar kunt zeggen dat-ie hardloopt. Daar ligt de grens nou net. Goed, deze jongen was de snelwandelaar onder de stemgebruikers. Maar waarom, in aanmerking genomen dat hij direct naast zijn vader zat, praatte hij zo loeihard?

Toen de jongen zijn leergierig klinkende vragen begon te stellen, dacht ik eerst dat ik de antwoorden van de vader misschien niet hoorde omdat hij normaal, dat wil zeggen zacht sprak. Al was het wel duidelijk dat de antwoorden hoe dan ook als kort gekarakteriseerd moesten worden. En dat de jongen ook niet erg veel gelegenheid bood om ertussendoor te komen.

Heel even heb ik ook gedacht, aanvankelijk, dat de vader weldra een stokje zou steken voor dit ontoelaatbare gedrag van zijn zoon.

Ik begon allengs openlijker naar het tweetal te kijken en geleidelijk aan begon me de structuur van hun louter denkbeeldige tweegesprek, of vraag- en antwoordspel, te dagen. Want de vader antwoordde niet; ook niet heel zacht. De vader negeerde de jongen op volle kracht. Hij had een koffertje op de knieën en was aan het werk. Hij schreef. Of hij corrigeerde. Of hij vulde in. Met een vulpen. En bij dat alles zag hij er ook nog eens verwonderlijk geconcentreerd uit. Alsof hij alleen reisde, om precies te zijn.

- Henk, wie heeft het blikje om uit te drinken uitgevonden? Meneer Coca Cola?

- .....

- En waarom zit daar een luidspreker in het plafond? Wie roept er dan wat om?

- .....

- Als ze nou een bom vinden, vader, en ze hebben nog maar een minuut, wat dan?

- .....

Het tempo waarin de jongen zijn vragen stelde, was moordend. Pauzes waren er niet. Na een poosje begon het me te dagen dat er weliswaar iets jennends zat in volume en tempo, maar al evenzeer iets van volkomen aanvaarding en berusting. Waar ik naar luisterde, dat was in diepste wezen een monologue intérieur. Het was de onafgebroken gedachtenvlucht van een ongeveer twaalfjarige. Minimal Brain Damage, misschien. Of lastpak uit Bijzonder Onderwijs? Wat kon het mij ook schelen.

Eerst verafschuwde ik de jongen; vervolgens zijn vader. Toen allebei. Daarop, geraakt tot bijna boeddhistisch begrip, geen van beiden. Ten slotte mijzelf. Dat ik mijn biezen niet pakte! Na eerst, uiteraard, geruime tijd geoefend te hebben op een adequaat optreden met bevredigender afloop.

Maar fascinatie kreeg de overhand - ik geef het toe.

En uiteindelijk reed ik, verrijkt door - ruw geschat - een paar honderd vraagstukken, kwesties en suggesties van de twaalfjarige medereiziger, ik zou haast zeggen gelouterd, maar hoe dan ook door en door verzoend met mens en medemens, het Centraal Station in. Ik wist wat ik had willen doen en niet gedaan had: lezen in een boek dat ik juist daartoe bij mij had.

Ik drukte de vader de hand en omhelsde de jongen, zeggende dat het mij speet dat ik het open boek dat hij was nog lang niet uit had - zijn niet eindigende boek, waarvan ik de titel niet kende - maar dat ik erg genoten had van dit ene hoofdstuk.