De macht van de spoken

De jaren zestig worden herontdekt en daarbij, zoals het hoort, opnieuw gewaardeerd. Dat belooft een levendige discussie te worden, ten eerste omdat het tijdvak tot de meest tumultueuze van de vaderlandse geschiedenis in vredestijd hoort, maar vooral ook omdat we ons afvragen in welke mate we tot op de dag van vandaag bij de erfenis baat hebben en in hoeverre we eronder gebukt gaan.

Dit najaar zijn al drie boeken verschenen die op een of andere manier de fameuze periode tot onderwerp hebben. Herman Wigbold, die destijds als hoofdredacteur van het tv-programma Achter het nieuws een niet te verwaarlozen rol in de omwenteling heeft gespeeld, heeft nu een boek geschreven waarvan de conclusie in de titel besloten ligt. Het heet Bezwaren tegen de ondergang van Nederland. Van de historicus en columnist prof.dr. Hans Righart is er De eindeloze jaren zestig, geschiedenis van een generatieconflict. Beide zijn verschenen bij de Arbeiderspers. Hoe uiteenlopend de auteurs in hun uitgangspunt en conclusies ook mogen zijn, ze komen hierin overeen dat ze de periode voornamelijk als een 'binnenlandse aangelegenheid' beschouwen, hoewel het aan vergelijkingen met het buitenland en erkennig van vreemde invloeden niet mankeert.

Dan is er het boek van de Amerikaanse historicus James C. Kennedy, Nieuw Babylon in aanbouw, Nederland in de jaren zestig. De schrijver heeft dankzij zijn Nederlandse familie en een langer verblijf ter plaatse geen gebrek aan autochtone ervaring. Hij paart dit voordeel - in dit geval - aan de afstandelijkheid van de buitenlander uit een verwante cultuur. Hij heeft er bovendien op een bewonderenswaardige manier gebruik van gemaakt. Nederlanders zijn geneigd, bij de beschouwing van het vaderland een loep te gebruiken. Kennedy hanteert van tijd tot tijd een omgekeerde verrekijker, zonder de loep te verwaarlozen. Dit maakt dat zijn boek wezenlijk verschilt van de andere. Het is minder Nederland-centrisch, het geeft de lezer meer ruimte. Overigens zijn de drie schrijvers geen concurrenten. Ze vertegenwoordigen uiteenliggende standpunten die het alle drie waard zijn nader te worden onderzocht en, om het op zijn tolerantst Nederlands te zeggen: alle drie hebben recht van spreken. Met hun drieën hebben ze de voorlopig beste spiegel van het allerjongste verleden geslepen.

Wigbold houdt zich voornamelijk bezig met de waardering van de resultaten. Righart en Kennedy hebben zich tot opgave gesteld, een antwoord te geven op de vraag hoe een conservatief en provinciaal land in staat is geweest, binnen een betrekkelijk korte tijd een zo radicale omslag te maken. In alle beknoptheid gezegd: Righart concentreert zich op de afstand tussen de generaties, een tijdbom die in de oorlog natuurlijkerwijze is ontstaan. Kennedy zoekt het eerder in de continuïteit van de elites, die door een politiek van tolerantie - paradoxaal - een grotere ontwrichting of een aanzet daartoe wisten te voorkomen.

Hier is het niet de vraag, wie gelijk heeft. Mij heeft het alweer verwonderd dat daarin onze oorlog met Indonesië geen grotere rol heeft gespeeld. De afstandelijkheid van Kennedy stelt hem in staat, een objectiever waardering te geven van de verblinding, de zelfoverschatting, het geestelijk isolement waardoor volk en opeenvolgende regeringen deze uitzichtloze oorlog hebben kunnen voeren. Maar ook hij bereikt niet de kern van dit vaderlandse raadsel: hoe komt het dat na die eclatante nederlaag - de grote die in 1949 werd bevestigd - dertien jaar later in Nieuw-Guinea nog een miniatuur van de voorgaande tot stand werd gebracht door een regering van niet wezenlijk verschillende inslag? In ieder ander land zou zo'n gezelschap zijn weggevaagd; in Nederland bleef het gewoon zitten.

In zijn proefschrift over de politicus Beel vertelt dr. L. Giebels hoe 'de onderkonig van Nederland' - zoals Beel door Paul van 't Veer werd genoemd - op zijn sterfbed gekweld werd door de spoken van de soldaten die mede onder zijn verantwoordelijkheid naar Indië waren gestuurd. Late consequentie. Had niet een volk dat door praktisch zijn hele politieke elite naar zo'n nederlaag was gevoerd, dit gezelschap op zijn minst humanitair moeten wegjagen? Daar was geen sprake van. Na de soevereiniteitsoverdracht en ook nadat het vraagstuk Nieuw-Guinea door tussenkomst van de Verenigde Staten was opgelost, gingen de Nederlanders weer vrijwel eensgezind over tot de orde van de dag. Daarbij verdient het de aandacht dat er tweemaal een eind was gekomen aan het toepassen van collectief geweld - iets dat toen blijkbaar volkomen aanvaardbaar werd gevonden en waarvoor evenveel Nederlanders nu liever bedanken, zoals uit de wederwaardigheden van Dutchbat blijkt.

Misschien - ik opper het zonder er een oordeel aan te hechten - hebben de jaren zestig aan dat soort bereidwilligheid een eind gemaakt. Maar in dergelijke situaties zijn er twee partijen: degenen die het bevel geven en de anderen die gehoorzamen. Een elite komt niet ongestraft uit twee verloren confrontaties met geweld en bijbehorende verliezen tevoorschijn.

In het Nederlandse geval bestaat de voorgeschiedenis van de jaren zestig óók uit twee verloren oorlogen, een grote en een kleine (militair gesproken meer een schermutseling die niettemin, gemeten naar internationale maatstaven, op een grote politieke nederlaag is uitgelopen). Is het verwonderlijk dat degenen die daarvoor verantwoordelijk waren, zich verbruikt voelden, te veel werden beziggehouden door de spoken uit hun verleden? Kan het zijn dat ze ook daardoor nauwelijks weerstand hebben geboden aan de mini-revolutie van de jaren zestig?

Hier, meer dan in het verwante buitenland, had de burger reden om zich te 'dekoloniseren', zoals ik het destijds heb genoemd. Het ging hem bij gebrek aan weerstand van de vermoeide elites sneller af. Of dat een onverdeeld voordeel is geweest? Kennedy, Righart en Wigbold geven er, ieder op zijn eigen wijze, hun antwoord op, maar niet het laatste.

    • H.J.A. Hofland