Aantal moeilijke kleuters is verdubbeld

Ze zuigen, zeuren, of kruipen juist stilletjes in een hoekje. De afgelopen tien jaar is het aantal 'in hun ontwikkeling bedreigde kleuters' meer dan verdubbeld. En de groei zet door, verwachten de scholen die vorige week hun leerlingen telden.

NIEUWEGEIN, 11 OKT. Pang. Alsof er voor de ogen van Arno (5) een onzichtbaar luikje dichtklapt. De castagnetten hangen onbeweeglijk langs zijn mollige lijf. Hij is opeens verdronken in zijn eigen gedachten, ziet niets meer, hoort niets meer. Ook niet als Melvin (4) over de grond op hem afglijdt, kwakend en de armen wijd gespreid - als een jaloerse mannetjeseend. “Mag niet”, zegt leerkracht M. van Gelder, terwijl ze voor Arno gaat staan. “Ja baas, grapje bedankt”, roept Melvin. En beschaamd bonkend tegen zijn rooie hoofd: “Stom stom stom, ik ben dom.”

In de kleuterklas van Van Gelder op De Horizon in Nieuwegein is het elke dag 'Jantje huilt, Jantje lacht'. De klas herbergt dertien 'in hun ontwikkeling bedreigde kleuters' (iobk). Het is een verzamelplaats voor kleuters met problemen die het op een gewone basisschool niet redden. Drie zijn hyperactief, twee hebben faalangst, twee anderen hebben groeiproblemen, sommigen kunnen maar nauwelijks praten en bijna allemaal hebben ze moeite met contact. Landelijk is het aantal 'moeilijke kleuters' de afgelopen tien jaar meer dan verdubbeld tot 3.239 leerlingen in oktober vorig jaar - bijna een op de honderd kleuters. Naar verwachting zullen er dit schooljaar ondanks een leerlingenstop weer meer bijkomen. Vooral jongens. Op de 119 speciale afdelingen die de kleuters opvangen zijn twee op de drie kinderen jongen en is 9 procent van allochtone afkomst - tegenover 4 procent in de gewone kleuterklas.

Prof. dr. L.M. Stevens, hoogleraar orthopedagogiek in Utrecht, deed onderzoek naar de groei van het aantal 'moeilijke kleuters'. Hun probleemgedrag en achterstand is vaak terug te voeren op een ingewikkeld samenspel van aanleg, medische factoren, opvoeding en omstandigheden thuis, vond hij. Maar er zijn maatschappelijke omstandigheden die bijdragen tot de groei. Zo blijven er meer vroeggeborenen in leven. Engels onderzoek onder couveusekindjes lichter dan 1.500 gram toont aan dat een op de vier kampt met blijvende gedrags- of leermoeilijkheden. Uit ander onderzoek, weet Stevens, blijkt dat meer kleuters behandeld worden voor sociaal-emotionele problemen, die in zestig tot zeventig procent van de gevallen worden veroorzaakt door een “problematische huiselijke achtergrond, waarbij de ouders overbelast zijn en hun kind niet aankunnen”.

Pagina 7: Bij alles denken: 'kan ik niet, wil ik niet, mag ik niet'

“Kinderen zijn kennelijk kwetsbaarder dan vroeger”, constateert Stevens. “Maar dat zit niet zozeer in de kinderen zelf.” Uit verschillende epidemiologische studies blijkt bijvoorbeeld al jaren achtereen dat 4 tot 5 procent van de jongens tot twaalf jaar en 1 tot 2 procent van de meisjes uit dezelfde leeftijdsgroep kampt met een gedragsstoornis. Stevens: “Het is vooral de maatschappij die hogere eisen stelt. Een hyperactieve maatschappij creëert hyperactiviteit als probleem. Ouders vragen meer van zichzelf en krijgen vaker hun leven niet op orde. Na twee pijpjes pils bij de tv wil paps niet meer praten.”

Op de eerste schooldag komen de kleuters als dode vogeltjes bij Van Gelder binnen. Sommigen zijn 24 uur aan het dagdromen, anderen kunnen geen potlood vasthouden of nauwelijks praten. Weer anderen zuigen, zeuren, schoppen en slaan, of kruipen juist stilletjes in een hoekje en denken bij alles: 'kan ik niet, wil ik niet, mag ik niet'.

Met ritme, rust en regelmaat denkt de lerares van elk kind weer “een pareltje te kunnen maken”. “Glimmen moeten ze”, zegt ze, “en groeien. Voelen dat ze iemand zijn. Dus de godganse dag gaat hier de duim de lucht in.” Aan een waslijn hangen kaarten met tekeningen die elk half uur het programma verbeelden. Vandaag begint de dag met een kopje thee, daarna rekenen, de speelhoek, zwemmen, lezen en verven. Een team specialisten met een logopedist, fysiotherapeut en een maatschappelijk werkster begeleidt de kleuters. De lesstof is hetzelfde als op de basisschool. Doel is namelijk dat de kinderen daar weer terugkeren.

Zelf heeft Van Gelder dat nog nooit meegemaakt. “Je ziet kleuters hier opbloeien, uit hun schulp kruipen, maar de meesten stromen door naar een speciale school. En ik denk dat het niet zal veranderen. Er is steeds meer mis bij eenzelfde kleuter. Lag vroeger ons hoofd vooral bij het inlopen van onderwijsachterstand, nu blijven we vooral steken bij de elementaire dingen die een kind gelukkig maken.”

Vooral de sporadische terugkeer op de gewone basisschool zit staatssecretaris Netelenbos (onderwijs) dwars. Een moeilijke kleuter is niet alleen drie keer zo duur, voor het kind zelf is een aparte school ook niet goed, vindt ze. Met het in 1991 begonnen beleid Weer Samen Naar School probeert ze basisscholen ertoe te bewegen minder leerlingen te verwijzen naar de aparte iobk-afdelingen en speciale scholen voor kinderen met leer- en gedragsproblemen. En zitten ze eenmaal op zo'n speciale school dan moeten ze zo snel mogelijk weer terug naar de basisschool. Maar in vergelijking tot de andere afdelingen binnen het speciaal onderwijs stokt deze come-back bij de kleuters nog het meest. Uit de laatste cijfers blijkt dat nog geen vier van de 100 in ontwikkeling bedreigde kleuters beklijven op de gewone basisschool.

Van Gelder en haar collega's vinden dat niet verwonderlijk. Sinds de samenvoeging met lagere school tot basisschool tien jaar geleden is het kleuteronderwijs een ondergeschoven kindje. M. Klaassen, werkzaam op een Haarlemse iobk-afdeling, vertelt over een 'agressieve' kleuter die ze dit jaar kreeg. Op de basisschool zat hij in een klas met 38 anderen. “Die schat had op zijn oude school geen tafel”, weet Klaassen. “Hij moest er elke dag voor vechten. Daar was het opstaan, plaatsje vergaan. Vind je het dan vreemd dat zo'n joch sloeg?”

Tegelijkertijd is ook het gedrag van de kleuters moeilijker geworden. Zo bemerkt Van Gelder na vijfentwintig jaar ervaring dat problemen ingewikkelder zijn geworden en “ook kom je moeilijker bij de kinderen in de hoofdjes”. Een zesjarige jongen bijvoorbeeld. Nadat hij een half jaar lang geen mond had opengedaan, durfde hij voor de vakantie te praten, maar erna niet meer. Waardoor? Van Gelder heeft nog geen flauw idee, het hele onderwijsteam breekt er elke dag het hoofd over bij de leerlingbespreking. Hetzelfde geldt voor de jongen naast hem. Hij houdt zijn lippen stijf op elkaar maar drentelt zo gauw hij de kans krijgt het klaslokaal rond met ontbloot bovenlijf, grijnzend van oor tot oor: “kijk eens wat een mooie tieten”.

Ook ziet de lerares steeds vaker couveusekindjes in de klas met een fikse motorische achterstand en soms eetproblemen. Dit jaar is er een meisje van vier, amper 90 centimeter lang. Ze kan niet bij de deurklink en de kracht om een kleurplaat heel netjes in te kleuren heeft ze nog niet. Maar wèl stapt ze met stralende verbazing als een 'Alice in Wonderland' door de klas. En ten slotte zijn sommigen total loss. “Hij brak op school de tent af”, wijst Van Gelder, “tot huilens toe van de juf. Hij beet, maakte andermans spullen kapot en sloeg alles en iedereen.”

Van Gelder: “Ik probeer het hier wel eens te relativeren. Dan denk ik: de kinderen komen alleen maar omdat de school er is. Maar dat is het niet. Tien jaar terug waren de problemen lang niet zo extreem. En de ouders, hè? Die hebben meer moeite met opvoeden, en vaker zelf problemen. Alleen al in deze keurige nieuwbouwwijk loopt een op de drie huwelijken stuk.”

De Utrechtse hoogleraar Stevens ziet weinig in het apart zetten van de kleuters, zeker nu de groep groeit. “Tijden veranderen, ook op school.” Dat neemt niet weg dat ouders tegelijkertijd met de opvoeding van de kleuters geholpen moeten worden, als ze dat willen. “Misschien is het jeugdbeleid wat dit betreft nog veel te veel een produkt van verkokerd denken. Onderwijs doet onderwijs, welzijn doen welzijn.”

De Horizon in Nieuwegein heeft de ouders al meer bij school betrokken. Elk kind krijgt iedere dag een schrift mee naar huis, waarin de leerkracht de dag van de kleuter bijhoudt en de ouders avond, nacht en weekend. Ook leggen leraren huisbezoeken af die soms een hoop verhelderen. M. de Groen van de parallelklas van Van Gelder heeft net een leerling thuis bezocht die zich vaak terugtrekt in een hoekje achteraf. “De ouders lieten me hun fotoboeken zien. Volgeplakt met alleen maar kiekjes van de hond. Dan schrik je je rot en realiseer je je ook dat die rol van maatschappelijk werker de jouwe is.”

De Groen roept haar kleuters de klas in. Een moeder holt haar tegemoet, haar dochter in de hand en de jas nog druipend van de regen. “Kijk, juf”, zegt ze “Dit is toch een slakkehuis? Ik heb er een gevonden, mooi hè?” Haar dochter staart naar de grond. De leerkracht pakt het huis en bedankt de moeder. Het meisje gaat mee de klas in, en krijgt een liefkozende aai over de bol. “Alle twee leven ze in hun eigen wereld”, zegt De Groen even later. “Een hartstikke lieve vrouw. Maar het zal je moeder maar zijn.”

    • Wubby Luyendijk