SIR ALEC DOUGLAS-HOME; Gentleman-politicus

LONDEN, 10 OKT. Het was veelbetekenend hoe de Britse ex-premier Lord Home of the Hirsel, beter bekend als Sir Alec Douglas-Home, gisteren door opvolgers en collega's geëerd werd. Niet als staatsman, niet als politicus werd de man herdacht die gisteren op 92-jarige leeftijd overleed, omringd door zijn familie. Hij werd als mens geprezen. Premier Major noemde hem “ondergewaardeerd” en ex-premier Heath herinnerde hem als “intens loyaal”. Ook andere collega's loofden zijn betrouwbaarheid, zijn waardigheid, zijn hoffelijkheid. “Ik vond Alec altijd een zeldzaam verschijnsel in de politiek: een politicus wiens woord je kon vertrouwen”, zei Enoch Powell, die in 1963 had geweigerd onder Home te dienen. Sir David Steel, mede-oprichter van de Social and Liberal Democrats, noemde hem “de laatste van de gentlemen politici”.

Ook toen hij 32 jaar geleden aan de macht kwam, werd hij al gezien als een anachronisme: als een man die in de verkeerde tijd op de verkeerde plaats terecht was gekomen. De laatste Britse aristocraat die het tot premier bracht. Een politicus die wars was van intriges en gekonkel. Een staatsman die het binnenlands beleid niet doorgrondde, rekende met behulp van luciferstokjes en alleen verstand had van buitenlandse politiek.

Zijn carrière tegen wil en dank heeft de buitenwereld steeds verbijsterd. Parlementslid sinds 1931, assistent van premier Neville Chamberlain tijdens de beruchte onderhandelingen met Hitler, in de jaren vijftig en zestig achtereenvolgens minister voor Schotland, minister voor de Gemenebest en minister van buitenlandse zaken. En nog altijd was hij bij het grote publiek onbekend toen hij in 1963 door de terugtredende premier Macmillan als zijn opvolger naar voren werd geschoven, niet omdat hij de beste, maar omdat hij de minst controversiële kandidaat was. Bij zijn aantreden maakte hij in niet mis te verstane woorden duidelijk dat “niemand van mij bravourestukjes hoeft te verwachten.” Als premier probeerde hij tevergeefs de uit de hand lopende overheidsbestedingen onder controle te krijgen en zijn optredens in het Lagerhuis werden ook door vrienden beschouwd als 'een ramp'.

In zijn autobiografie The Way the Wind Blows betreurt hij dat zich niet beter op zijn taak had voorbereid. Hij had nooit gedacht premier te worden, schrijft hij, anders had hij zich wel beter in de binnenlandse thema's verdiept. Uiteindelijk heeft zijn bewind nog geen jaar geduurd. Na de verkiezingen van 1964 moest hij plaatsmaken voor Labour-leider Harold Wilson. In 1970 maakte hij zijn comeback als minister van buitenlandse zaken onder de nieuwe premier Edward Heath. Behalve zijn landgoed was dat het enige terrein waarop hij zich werkelijk op zijn plaats heeft gevoeld.