Professorszoon op schoolreisje

We zijn met vijftig schakelklasleerlingen op schoolreisje naar Apeldoorn. Op het programma voor dit weekeind staan onder meer de Apenheul, de disco Swing en het Dolfinarium te Harderwijk - de invulling verraadt de hand van collega J., die dit weekeind georganiseerd heeft en die nu eenmaal graag gebaande paden bewandelt. Maar het belangrijkste is toch dat we met elkaar op stap zijn.

En bovendien, zo'n Apenheul, zou je denken, is toch ook wel leuk. Maar al na een uur komt de Finse professorszoon Markus naar mij toe en vraagt: “Beekmans, can you please tell me: is there a way out of this terrible place?”

Markus maakt mij met zijn droge humor vaak aan het lachen. Het is een rustige, intelligente jongen van 17 jaar, die het kennelijk maar niks vindt, zo'n pretpark.

Hij is geloof ik niet de enige leerling. Je zou het collega J. kunnen verwijten, maar eerlijk is eerlijk: niemand heeft eraan gedacht dat het voor de leerlingen uit Indonesië, uit Marokko, uit Pakistan, niet ongewoon is apen te zien die vrij rondlopen - zij zijn eigenlijk niet Westers genoeg om de Apenheul op waarde te schatten. Iemand als Markus lijkt er daarentegen juist tè Westers voor. Want die ziet slechts 'onnatuurlijke' apen, die hier niet thuishoren, die niet schuw meer zijn en bedelen.

Om Markus een plezier te doen, kijk ik wat om me heen, zoekend naar de uitgang. Ik zie zijn vrienden, een Pool en Bosniër, bij collega J. informeren; inderdaad zou die het moeten weten. Markus is inmiddels, met een gespeelde moedeloosheid die ik wel grappig vind, op de grond gaan zitten; alsof hij zich erbij neerlegt dat uit dit park geen ontsnapping mogelijk is en hij zal moeten wachten tot wij en groupe teruglopen naar de jeugdherberg.

Op dat moment roepen zijn vrienden, van enige afstand, dat zij weten waar de uitgang is. Vanaf de grond roept Markus terug, terwijl hij zijn vrienden met één hand wegwuift:

“Go! Go! Don't think of me! Save your own skins!”

Opnieuw schiet ik in de lach. Markus registreert het grijnzend, staat op en zegt: “Admit it, Beekmans: Apenheul sucks.” Dan loopt hij achter zijn vrienden aan.

Markus spreekt inmiddels goed Nederlands maar doet dat bijna nooit; liever spreekt hij Engels. Hij werd vorig jaar als nieuwe leerling, die al een beetje Nederlands sprak omdat hij eerst op een andere school had gezeten, in S12 geplaatst. Die klas was net een maand bezig. Links vooraan was nog een bank vrij, vóór Ouafa, een dik, Marokkaans meisje van 16 jaar. Misschien omdat ze zo'n grote bril droeg, misschien omdat ze het Nederlands niet altijd begreep - Ouafa maakte op mij behalve een nieuwsgierige ook een wat schrikachtige indruk. Ze had in S11 gezeten en daar de basiscursus van de eerste acht weken gevolgd, maar ze was daar niet voor geslaagd en moest het tweede gedeelte, de tweede maand, overdoen in S12.

Ouafa had de gewoonte Markus, als ik hem de beurt gaf, het antwoord in te fluisteren. Dat was niet nodig want de professorszoon was slim genoeg; hij stoorde zich er dan ook aan. Bij de zoveelste influistering van Ouafa werd het hem teveel. Vanuit zijn bank schreeuwde hij mij toe, in een uitbarsting waar de klas van opkeek, en ik ook, wij kenden deze nieuweling nog niet: “Why is Ouafa telling me the answer every time? Can you please make her shut up! I can't take it any more!”

Vanaf dat moment bleef Ouafa op afstand. Ze voelde heel goed dat Markus maar weinig respect voor haar had; het zat haar niet lekker. Het leek erop dat ze haar ongenoegen richtte op de Turk Mustafa, achter haar. Deze grote, zware, wat onnozele jongen kon het tempo niet bijbenen - iets dat Ouafa zelf, in de vorige groep, ook niet gelukt was. Af en toe siste ze tegen hem, schijnbaar zonder aanleiding: “Stomme jongen Mustafa, Mustafa roken, drinken, niet leer, Mustafa slecht jongen, slecht moslim!”

Terug naar Apeldoorn, waar wij, 's avonds, de disco Swing bezoeken. De ruimte blijkt niet veel meer dan een soort van stal met nog een steiger tegen de muur. Het is, in tegenstelling tot de Apenheul, een ambiance waar Markus zich thuisvoelt, dat wil zeggen, zolang er geen housemuziek gedraaid wordt - want dan speelt hij liever pool in het aangrenzende café.

Rond de klok van elf echter houdt de housemuziek op en vult een rauw soort gitaarmuziek de ruimte. Kundige dansers als de Ghanees Frederique, een grote, stevige jongen die voor een spagaat niet terugdeinst; als de Thaise rollerskater Prasit, klein en tenger, als elastiek zo beweeglijk, gekleed in de zeer wijde broek waaraan men de Museumpleinskater herkent; als de Kroatische Ana, met haar lange blonde haar, het strakke witte T-shirt, de strakke Levi's, en vooral de geoefende bewegingen, het type modeldanseres dat je op MTV wel ziet - al deze leerlingen druipen, met de wisseling van muziek, als vanzelf af. Even lijkt de dansvloer leeg te blijven.

Ik heb Markus, die geestelijk wel bij de tijd is maar lichamelijk een slome indruk maakt, nog nooit zien dansen - misschien omdat wij deze muziek nooit op schoolfeesten draaien. Want nu stromen Markus en zijn vrienden vanuit het café de dansvloer op en beginnen onmiddellijk in het rond te springen en opzettelijk tegen elkaar op te botsen. soms maken zij pas op de plaats om te 'headbangen', waarbij ze hoofd en bovenlichaam wild heen en weer zwaaien. Het verbaast me de frèle Markus zich zo onstuimig te zien uitleven - maar het verbaast me niet te zien hoeveel machteloze agressie hij in zich draagt, na die uitspatting tegenover Ouafa, gezien sommige van zijn tekeningen ook, van doodshoofden of monsters, die hij vaak achterlaat op proefwerken.

Niet veel later komt Markus op het idee de steiger te beklimmen. Als vanzelf stellen de anderen zich in twee rijen op en grijpen elkaars handen; tien paar armen vormen nu een soort brancard. Met opgeheven hoofd duikt Markus er bovenop - toch een duik van ruim anderhalve meter, schat ik. Intussen staan er alweer anderen klaar om deze bravoure, die ik van Markus nog niet kende, te evenaren.

De volgende ochtend zit de Fin, die teveel gedronken heeft, er wat pips bij (“I hate the morning after”). Het plan is straks naar het Dolfinarium te gaan. Ik vraag Markus of hij het Dolfinarium leuk vindt.

“Is it cool?” vraagt hij. Hij is weer zijn oude, droge zelf.

Ik schiet in de lach. “Dat hangt ervan af...”

“What do you mean that depends? If you like dolphins... Or living in general?”

    • Kees Beekmans