O.J. Simpson was ook in Nederland vrijgesproken

De vrijspraak van de voormalige Amerikaanse sportheld O.J. Simpson, verdacht van moord op zijn ex-vrouw en een vriend, heeft tot sterk verdeelde reacties geleid. Hoe was het O.J. Simpson vergaan voor een Nederlandse rechter? Volgens Milo Anstadt niet veel anders.

Vele Nederlanders zijn ervan overtuigd dat O.J. Simpson zijn ex-vrouw en haar minnaar heeft vermoord en vegen daarom de vloer aan met het oordeel van de Amerikaanse jury die het onschuldig heeft uitgesproken. Tot hen die volstrekt onbeschroomd Simpson als misdadiger brandmerken behoren sommige historici, columnisten, commentatoren van radio en televisie en zelfs advocaten.

De meesten baseren hun overtuiging op gevoel. Zij zeggen: 'Je hoeft maar naar hem te kijken om te weten dat hij het gedaan heeft.' Dat is uiteraard voor de rechtspraak onvoldoende. Anderen vinden de bewijzen zo overvloedig en overtuigend dat zij geen moment aan zijn schuld twijfelen. Slechts weinigen in ons land hebben een goed woord over voor de juryrechtspraak, weinigen houden het voor mogelijk dat Simpson ook in ons systeem was vrijgesproken.

De vraag of Simpson in Nederland wèl was veroordeeld hoeft niet uitsluitend speculatief te worden benaderd. In het proces zijn concrete gegevens ter tafel gekomen en het is mogelijk de rechtskracht ervan objectief te toetsen aan het Nederlands procesrecht. Daarbij kunnen de grote verschillen tussen het Nederlandse en Amerikaanse rechtsgeding buiten beschouwing blijven. Dat de Nederlandse rechter een volstrekt andere functie heeft, dat hij op grond van een uitgebreid vooronderzoek over een dossier beschikt, dat niet zoals in Amerika alles ter zitting aan de orde moet komen, en tal van andere bijzonderheden - het brengt weliswaar een volstrekt andere rechtsgang met zich mee, maar daarom nog geen principiële verschillen met betrekking tot de deugdelijkheid van bewijzen.

Tot zijn eenvoudigste tegenstelling teruggebracht is de beslissende instantie in Nederland de rechter, die actief de waarheid zoekt, terwijl het in de Verenigde Staten de passieve jury is, die met betrekking tot haar uitspraak is aangewezen op wat anderen haar hebben voorgeschoteld. Dat wil niet zeggen dat de jury daarom minder gelegenheid heeft kennis te nemen van de waarheid. Er wordt zoveel informatie - relevante en minder relevante - over haar uitgestort dat haar inzicht niet onder die passiviteit hoeft te lijden.

Waar het nu om gaat, is hoe de Nederlandse rechter de inbreng van het Openbaar Ministerie en van de verdediging had gewogen. Daarbij moet natuurlijk worden afgezien van alle ruis, retoriek en theater waar de jury op werd getracteerd. In Nederland was de vertoning, onder leiding van de rechter, aanzienlijk ingetogener geweest. Hier had het proces dan ook ten hoogste tien zittingsdagen in beslag genomen, in twee instanties: rechtbank en hof. Misschien was de zaak tussentijds één of twee keer aangehouden om de officier of advocaat in de gelegenheid te stellen nader bewijs te leveren of nieuwe getuigen te dagvaarden. Zouden er camera's in de rechtszaal zijn toegelaten, dan zou dat ook hier dramatische en spannende televisie hebben opgeleverd - alleen niet een jaar lang. De belangrijkste consequentie van dat alles is dat het proces in Nederland aanzienlijk goedkoper was geweest. Nu heeft het de Amerikaanse belastingbetaler zeventien miljoen dollar gekost en de arme (rijke) Simpson een slordige tien miljoen. Het spreekt vanzelf dat onder die omstandigheden verdachten in de Verenigde Staten nog minder gelijkheid voor het recht kan worden gewaarborgd dan dat in Nederland al het geval is.

Maar terzake. De Nederlandse rechter, oftewel steeds drie rechters van meervoudige kamers, hadden te maken gehad met een ontkennende verdachte in een zaak zonder ooggetuigen. Zij waren onder die omstandigheden aangewezen geweest op technisch bewijs, op een reconstructie van de misdaad, op sporen die door de politie werden aangetroffen, op het onderzoek van bepaalde sporen in het gerechtelijk laboratorium, op een nauwkeurige vaststelling van een tijdschema, op het navorsen van het motief dat aan de misdaad ten grondslag had kunnen liggen. Een dergelijke zaak is doorgaans uitzonderlijk en eist de grootste omzichtigheid en nauwgezetheid.

Zoals in de Verenigde Staten zo had ook in Nederland de officier van justitie het bewijs moeten leveren dat de verdachte de dader is geweest. Zoals in de Verenigde Staten had ook in Nederland de verdediger de aangevoerde bewijzen, respectievelijk de wijze waarop zij waren verkregen, onder schot genomen. Voorts hadden de partijen wellicht ook stelling genomen ten aanzien van factoren die circumstantial evidence hadden kunnen opleveren. Daar was om te beginnen de vlucht van Simpson. Hij was enkele keren verhoord. Toen hij na vier dagen als verdachte zou worden gearresteerd, probeerde hij in zijn auto weg te komen. Is dat een aanwijzing voor zijn schuld? Wellicht had de officier die suggestie willen wekken. De verdediger had ongetwijfeld betoogd dat een zo bekende man als Simpson, was hij bij zinnen geweest, nooit in een ontsnapping had kunnen geloven. Hij moet dus in paniek hebben gehandeld. En die paniek, aldus de verdediging, was alleen verklaarbaar uit Simpsons verrassing als verdachte te worden aangemerkt. De verdediging had ook kunnen aanvoeren dat Simpson beangstigd werd door het vooruitzicht van een langdurige opsluiting. Hoe dan ook, uit het gegeven van de vlucht zou voor de Nederlandse rechters weinig op te maken zijn geweest.

Een ander punt van circumstantial evidence vormde het feit dat Simpson zijn vrouw herhaaldelijk had mishandeld. Dat hun relatie zowel voor als na de scheiding geen toonbeeld van evenwichtigheid was, valt niet te ontkennen. Er waren aanwijzingen dat zij niet mèt en niet zonder elkaar konden. Maar de conclusie dat Simpson dus in staat was haar ook te vermoorden, was voor de Nederlandse rechters ongetwijfeld een te gewaagde sprong geweest. Om zo'n gevolgtrekking te kunnen maken hadden nog andere bewijzen van zijn gewelddadigheid moeten worden geleverd.

Vervolgens de huiszoeking bij Simpson. Die gebeurde zonder bevel tot huiszoeking. Er was geen officier van justitie bij aanwezig, geen rechtercommissaris, geen griffier. De mogelijkheid tot gerommel was niet uitgesloten. De verdediging had dit ongetwijfeld aangevoerd en de gegevens die door de huiszoeking waren verkregen niet toelaatbaar geacht als bewijs. De rechters hadden die opvatting op grond van vaste Nederlandse jurisprudentie moeten overnemen.

Als belangrijkste onderdeel van de bewijsvoering hadden de bloedsporen gegolden en het resultaat van het DNA-onderzoek dat de identiteit vaststelde van de gevonden sporen en het bloed van Simpson. In ons land is zo'n onderzoek met veel waarborgen omkleed. Er zijn regels die strikt moeten worden nageleefd. Het afgenomen bloed van de verdachte moet een vast en controleerbaar tracé afleggen en er moet schriftelijk stap voor stap verantwoording worden afgelegd over de gevolgde procedure. Er moet gelegenheid zijn tot contra-expertise. Is dat in het geval van Simpson zo gebeurd? Nee. Politie en onderzoekers hebben zich schuldig gemaakt aan een bedenkelijke slordigheid. Het bloed dat Simpson was afgenomen kon gedurende een tijd zonder controle omwandelingen maken. Hoe nauw dit soort onderzoek luistert wordt geïllustreerd door het feit dat in Nederland onlangs, als gevolg van buiten-baarmoederlijke bevruchting, een tweeling is geboren van wie het ene kind blank en het andere zwart was. Wat er precies fout is gegaan is moeilijk te achterhalen, maar dat één verkeerde manipulatie een onbedoeld gevolg kan hebben staat als een paal boven water.

De wijze waarop het DNA-onderzoek in de zaak Simpson tot stand kwam gaf redenen tot verweer en twijfel. In Nederland had deze procedure beslist tot contra-expertise geleid en bij het ontbreken daarvan was uitsluiting van bewijs zeer wel denkbaar geweest. De vraag rijst echter of zo'n contra-expertise nog betrouwbare gegevens had kunnen opleveren. Waren niet ook de beschikbare, veiliggestelde bloedsporen inmiddels verontreinigd? Bij zo'n onverantwoord beheer is het vrij aannemelijk dat de Nederlandse rechters tot uitsluiting van bewijs hadden besloten.

Een andere controverse hadden de bebloede handschoenen opgeleverd, die Simpson niet pasten. De aanklagers wijtten dat aan het feit dat Simpsons handen waren opgezwollen. Maar werd een medisch onderzoek geëist en ingesteld naar zijn handen? Werd een causaal verband aangetoond tussen het eventueel gebruik van bepaalde medicijnen en gezwollen handen? Nee. Hebben de vervolgende instanties nog geprobeerd te achterhalen waar Simpson zijn handnschoenen had gekocht, respectievelijk welke maat hij indertijd had? Misschien, maar van resultaten van zo'n nasporing is in de rechtszaal niets gebleken. Gegeven het beschikbare materiaal moeten we ervan uitgaan dat de Nederlandse rechters op dit punt ook in het duister waren blijven tasten.

Een volgende kwestie: noch het mes waarmee de misdaad is gepleegd, noch de kleding van de dader, die onder het bloed moet hebben gezeten, werden gevonden. Dit brengt met zich mee dat indien Simpson de dader was, hij voldoende tijd moet hebben gehad om zich van mes en kleding te ontdoen en die spoorloos weg te werken. In dat verband komt zijn alibi aan de orde, dat niet waterdicht is. Theoretisch kan hij op het nippertje de tijd hebben gehad om de misdaad te plegen. Maar zijn zwakke alibi is nog geen reden om aan te nemen dat hij de dader was. Dat de jury veel belangstelling aan de dag legde voor het veronderstelde tijdschema van de moorden en voor Simpsons alibi, bleek uit het feit dat zij op de valreep nog eens de getuigenis van de taxichauffeur wilde horen, die hem die avond naar het vliegveld had gebracht. Uit de uitspraak valt op te maken dat de twijfel van de jury of Simpson voldoende tijd had gehad om eerst de moorden te plegen, dan een deel van de sporen uit te wissen en vervolgens rustig en gesoigneerd de chauffeur tegemoet te treden, niet was weggenomen.

Zou de prudentie van de Nederlandse rechters in dit opzicht geringer zijn geweest dan die van de Amerikaanse jury? Voor de beoordeling van alle ter tafel gebrachte gegevens zou de getuigenis van rechercheur Fuhrman, die de belangrijkste rol in het vooronderzoek had gespeeld, van doorslaggevende betekenis zijn geweest. Iedere Nederlandse advocaat die over informatie had beschikt dat de rechercheur een notoire negerhater was, had dit gegeven gebruikt om de bewijsvoering van de aanklager onderuit te halen. De rechercheur had niets minder dan meineed gepleegd. Terwijl hij onder ede had ontkend dat hij zich ooit discriminerend over negers had uitgelaten, was de verdediging in staat een geluidsband te produceren waarin hij achter elkaar het woord 'nikker' gebruikte en er zelfs prat op ging 'de nikkers' graag te pesten. Hadden Nederlandse rechters zo'n kroongetuige, die onder ede had gelogen, nog veel betrouwbaarheid toegekend? We weten dat in Nederland heel wat rechtszaken 'kapotgegaan' zijn, zoals dat heet, door de handelwijze van de politie. Nog niet zo lang geleden heeft de rechter een complete zaak niet ontvankelijk verklaard omdat de politie gegevens had achtergehouden.

De meineed van de rechercheur was hier van cruciale betekenis geworden voor het verdere verloop van het proces. Zijn onbetrouwbaarheid had veel, om niet te zeggen àlles van wat hij aan bewijzen had aangebracht, op losse schroeven gezet.

Een bijkomend probleem voor de rechters was hier geweest dat er geen plausibel motief voor Simpson werd aangevoerd. Jaloezie? Zou deze man die zich zo beheerst gedroeg in de rechtszaal, die zijn emoties zozeer onder controle had dat hij die zelfs tijdens het voorlezen van de uitspraak in bedwang kon houden, zou die in een opwelling van jaloerse drift twee mensen hebben vermoord? Misschien, maar om dat te beoordelen hadden de rechters zich op psychologische of psychiatrische expertise moeten kunnen baseren, die niet voorhanden was.

Al met al is er voldoende reden om aan te nemen dat een veroordeling van Simpson ook voor Nederlandse rechters bepaald niet vanzelfsprekend was geweest. Dat vindt ook mr P.J. Baauw, hoofddocent strafrecht aan de universiteit van Utrecht, advocaat, plaatsvervangend rechter en raadsheer, aan wie ik mijn conclusies voorlegde. Hij zei nadrukkelijk: “Ik had in deze zaak, zoals die lag, geen schuldig uitgesproken.”

Het kan in het midden blijven wat de persoonlijke overtuiging van de Nederlandse rechters was geweest. Als zij aan de onschuld van Simpson hadden getwijfeld, maar de bewijzen onvoldoende, respectievelijk niet toelaatbaar hadden geacht, dan hadden zij dat tot uitdrukking kunnen brengen door de formulering niet wettig bewezen. Als alles wat was aangevoerd, benevens hun gevoel of intuïtie hun zou hebben gezegd dat Simpson niet de dader was, dan hadden zij dat waarschijnlijk uitgedrukt door de formulering niet wettig en overtuigend bewezen.

In het recht is het nu eenmaal zo dat bij gerede twijfel geen veroordeling mag worden uitgesproken. In de zaak Simpson hadden Nederlandse rechters hoogstwaarschijnlijk niet anders geoordeeld dan de Amerikaanse jury. Het moge onbevredigend zijn dat de vraag of Simpson de dubbele moord heeft begaan onbeantwoord blijft, dat is echter niet de eerste en niet de laatste frustratie waartoe rechtspraak aanleiding geeft.

    • Milo Anstadt