Met mest is niks mis

RAAMSDONK. Het dorp lag in een stoppelig landschap, vol goedkope bomen. Aan de straat woonden boeren, pastoors, restauranthouders en rijke burgers uit de stad, in een bonte mengeling dooreen. Waar je ook was, overal dreunde de A 59 die parallel aan het dorp liep, een horizon die eeuwig in beweging was. En daarachter rookten en stoomden, vaag in de nevel, de torenhoge industriecomplexen van Lage Zwaluwe en Moerdijk.

Ik was op zoek naar boer B., de varkensmester uit Raamsdonk die op een junidag in 1994 de deuren van zijn stal had dichtgegooid en de beesten verder aan hun lot had overgelaten. Ruim zeven weken later werden ze gevonden, bijna vijfhonderd rottende varkenslijken, en een handvol overlevenden dat zich gered had door de kadavers van hun soortgenoten half op te vreten. Al die weken had niemand iets gemerkt, zelfs de vrouw van B. niet. Varkensmesterijen stinken altijd, en B. was elke dag rond voedertijd van huis vertrokken en op de gebruikelijke tijd weer thuisgekomen. Ik had met B. willen praten, vooral ook omdat hij al twee keer eerder zoiets had gedaan. Ik had willen weten wat hem bezielde, maar ook wat de voederfabrieken, de belangenorganisaties van boeren, de veeartsen, de voorlichters en al die andere betrokkenen dreef om maar door te gaan, en aan iedereen krediet te geven om voer en biggen af te nemen, zelfs aan B. Maar B. was verhuisd. Ergens naar het noorden, zeiden ze.

In Raamsdonk hielden ze niet zo van varkensmesters, dat begreep ik al snel bij mijn zoektocht. “Het zijn geen boeren, maar middenstanders”, zei een melkveehouder. “Niemand vindt varkens leuk. Maar het ging jarenlang als een fluitje, en iedere arme donder zonder grond kon goud verdienen. De voerfabriek schoot het wel voor, en via de belasting en de WIR kreeg je een groot deel van de kosten terug. Op een halve hectare had je al een hok met duizend varkens.”

“Ze hadden het hoog in de kop”, zei een ander. “En ze hadden de overhand in de boerenorganisaties.” Hun zoons reden in een Mercedes naar school, en de kinderen van de andere boeren kwamen thuis en vroegen hun vaders wanneer die ook overgingen op varkens. “Ach”, zeiden die dan, “Zij rijden wel in een Mercedes, maar ze hebben net zoveel grond als jij onder je nagels.”

Maar nu is het allemaal voorbij. Afgelopen vrijdag is een akkoord gesloten over het mestbeleid dat grote gevolgen zal hebben voor de landbouw als geheel en voor de varkensmesters in het bijzonder.

Is hun woede daarom begrijpelijk? Nee. Iedereen wist al jaren dat dit ging gebeuren. Toch hebben de varkenshouders, daartoe aangejaagd door een hecht netwerk van belanghebbenden, tussen 1983 en 1993 de varkensproduktie nog met éénderde opgevoerd. Het waren dezelfde boeren die glimlachten om de ouderwetse veehouders die wèl netjes op hun land pasten, die de biologische boeren nooit anders dan met hoon bejegenden, en die dankzij hun vetbetaalde CDA-lobby er zelf voor hebben gezorgd dat maatregelen zolang werden uitgesteld dat uiteindelijk de wal het schip moest keren. Hoe dramatisch hun persoonlijke omstandigheden soms ook mogen zijn, deze vleesproducerende middenstanders hebben dit onheil grotendeels over zichzelf afgeroepen.

Pijnlijker is dat ook andere boeren meegesleept zullen worden in hun val. Met name de kleinere melkveebedrijven komen zolangzamerhand fors in de problemen. Daarbij gaat het niet zelden om boeren die nooit aan de grote vuilgolf hebben meegedaan, maar die het geld niet meer hebben om mestsilo's, schijfkouterbemesters en andere milieu-investeringen te financieren.

Nog pijnlijker is dat de doorsnee boer door dit compromis nauwelijks gestimuleerd zal worden om milieuvriendelijker met de grond om te gaan. En daar was het toch allemaal voor bedoeld. Er is met mest op zichzelf niks mis. Sterker nog: het is geen afvalprodukt maar een volstrekt normale grondstof, even noodzakelijk voor de landbouw als aarde, zon en regen. Mest wordt pas een probleem als er teveel over het land wordt verspreid, of op een fout moment. De gewassen kunnen er dan niets meer mee en zo komen grote hoeveelheden stikstof en fosfaten in het milieu terecht. Maar het grootste probleem is de kunstmest, die goedkoop is, vaak slordig wordt gebruikt en flink wat vervuiling oplevert waar geen haan naar kraait.

Het mestprobleem is dus in de eerste plaats een mineralenprobleem, en dat geldt voor varkenshouders net zo goed als voor akkerbouwers. Daar had ook de sleutel voor de oplossing kunnen liggen.

Het is mogelijk om veel meer dan nu dierlijke mest te gebruiken inplaats van kunstmest. Met name voor gras en maïs maakt dat niets uit. De praktische bezwaren liggen vooral op het gebied van management en transport, maar daar had een uitgekiend premie- en heffingsysteem veel aan kunnen verhelpen: aanpakken van de ergste vervuilers, belonen van de creativiteit van de rest. Nu hebben de ministers gekozen voor het straffen van de achterhoede, het afknijpen van het grote peloton, en het negeren van de rest van het probleem.

Hoe dat in de praktijk zal uitpakken, bleek uit een recente analyse in het vakblad De Boerderij. Melkveehouders met minder dan tweeëneenhalve koe per hectare - na het jaar 2002 twee koeien - hoeven geen mineralenboekhouding bij te houden. Zij kunnen dus onbeperkt fosfaat- en stikstofkunstmest op hun land blijven gebruiken. Hetzelfde geldt voor de akkerbouwers: die mogen volgens de huidige plannen tot in lengte van jaren zoveel strooien als ze willen. Het gebruik van andere voedermethoden bij de intensieve veehouderij - wat een belangrijke milieuwinst kan opleveren - wordt niet beloond. Het enige wat nu wordt gestimuleerd is een oudedagsvoorziening voor failliete varkenshouders en een typisch Hollands zieligheidsfonds. “De grootste fout die minister Van Aartsen heeft gemaakt, is dat hij geen coalitie heeft gevormd met de echte vernieuwers in de landbouw”, merkte de Wageningse hoogleraar J.D. van der Ploeg onlangs terecht op. Het mestbeleid is een schoolvoorbeeld van Haagse versimpeling van een ingewikkeld probleem, gecombineerd met een forse dosis bluf en arrogantie. Minister Van Aartsen heeft zich vastgebeten in twee credo's waar hij niet van af te brengen lijkt: mest is een afvalstof, en de varkenshouders zijn de schuld. Zo lijkt het ook, maar zo is het niet. En daarmee sluit hij de deuren en laat hij de rest van het probleem rotten. De gevolgen zullen we zien en proeven.

Voor wie wil weten hoe het met B. is afgelopen: hij blijkt inmiddels naar het Friese Driesum te zijn verhuisd, en drie weken geleden lagen er opnieuw vierhonderd dode varkens in zijn stal. Maar vorige week zijn er alweer nieuwe biggen bij hem aangeleverd, want de voederfabrieken moeten door, en van varkens houdt toch niemand.