Informant 'bestrijdt' graag eigen misdaad

DEN HAAG, 10 OKT. Het leek wel bijltjesdag voor de Haarlemse politie, zo ruw werd de criminele inlichtingendienst (CID) van het korps gisteren in de hoek gezet voor de enquêtecommissie. De strijd tegen de georganiseerde misdaad ging in Kennemerland zo ver dat criminelen de politie soms meer in hun greep hadden dan andersom. Informanten in criminele organisaties mochten miljoenen guldens aan drugsgeld in eigen zak steken - en genoten nog de veilige bescherming van de sterke arm ook. Geen wonder dat de informanten in de rij stonden om hun graantje mee te pikken bij de 'bestrijding' van hun eigen organisatie.

Dit bizarre beeld van een omgekeerde wereld bleef gisteren hangen na een enquêtedag vol met enerverende verhoren. Hoofdrolspelers waren de vroegere Haarlemse CID-chef K. Langendoen, het brein achter het Delta-onderzoek van het opgeheven IRT, en zijn rechterhand J. van Vondel. Tegenover hen stonden twee officieren van justitie: uit Haarlem P. Snijders en uit Amsterdam F. Teeven. Beiden lieten weinig heel van de Haarlemse gewoonten en gebruiken. Teeven had in de ochtenduren het ijs gebroken door te stellen dat criminelen vanaf 1990 steeds beter op de hoogte zijn geraakt “waar en op welke wijze je verdovende middelen Nederland in kon krijgen”.

Nadat Langendoen en Van Vondel zich vooral hadden beperkt tot zwijgen over hun werk, gooide nota bene de Haarlemse magistraat Snijders nog meer olie op het vuur. Hij vermoedt dat criminelen zelfs gebruikmaakten van de informanten van wie de politie meende dat die voor haar werkten.

De Haarlemse CID maakte gebruik van tientallen informanten, meestal begeleid door het 'koningskoppel' Van Vondel en Langendoen. Zij bleken er alles voor over te hebben om de vijand aan te pakken. Daarbij werd inbegrepen het begaan van strafbare feiten, miljoenen-inkomsten voor informanten en het op de markt laten verdwijnen van duizenden kilo's verdovende middelen. Door die informanten met een aantal succesvolle zendingen te laten 'groeien' in de organisatie hoopte de politie tot de top door te dringen. “Meneer Van Traa, wat wij deden is peanuts vergeleken met wat er werkelijk ons land binnenkomt”, zei Van Vondel, inmiddels privé-detective.

Over het Delta-onderzoek van het IRT zei Van Vondel: “Het was een mafia-organisatie met wortels in de hele Nederlandse maatschappij. Die wilden we helemaal uitroeien.” Voor hem was het daarbij “van geen enkel belang” hoeveel geld criminelen door het bewust doorlaten van drugs zouden verdienen. “Sommige informanten hebben miljoenen verdiend. De sfeer in de Nederlandse politiek was vijf jaar geleden dat er gescoord moest worden.”

Door de handen van Van Vondel gingen honderdduizenden guldens aan crimineel geld, waarmee de CID communicatie-apparatuur en auto's kocht, fake-bedrijven opzette, vrachtwagens en loodsen huurde voor de opslag van drugscontainers. De zogenoemde dekladingen in de containers, de officiële goederen die de verdovende middelen moesten afdekken, bestonden in verscheidene gevallen uit waar die soms als humanitaire hulp naar Rusland en Roemenië werd gestuurd. De politie hielp mee met het afzetten van deze dekladingen, van Colombiaanse tegeltjes tot en met Venezolaanse vruchtensappen. De strafbare feiten die de politie pleegde hadden plaats met dat ene, ultieme doel voor ogen: de “mega-klapper”, zoals Van Vondel het uitdrukte. Maar het zou er nooit van komen. Voordat de organisatie harddrugs richting de Nederlandse kusten ging verschepen bliezen de Amsterdamse deelnemers aan het IRT het team op.

Officier van justitie Snijders zei dat informanten “bedragen tot acht miljoen gulden bruto” hebben verdiend aan het werk voor de Haarlemse CID. “Ik heb het gevoel dat de criminelen de werkwijze van de Haarlemse politie kenden. De politie heeft hun carte blanche gegeven. Criminelen moeten geweten hebben dat er zoveel informanten aan het werk waren. Die wereld is zo klein, men weet zo veel van elkaar. Ze hadden in de gaten gekregen dat ze de politie via informanten konden sturen.” Op het doorlaten van de verdovende middelen door de politie, met het doel de informant een sterkere positie in de criminele organisatie te geven, werd zelfs door criminelen geanticipeerd, suggereerde de Haarlemse officier. Zij calculeerden daarbij in dat een deel van de handel wel in beslag kon worden genomen. De winst die overbleef was meer dan genoeg.

Volgens Snijders beschikten Langendoen en Van Vondel over zoveel informanten dat zij er “te diep” in zaten. “Ik heb in de loop der jaren duizenden gesprekken met informanten gevoerd”, had Van Vondel gezegd. Snijders zei dat het gebruik van tientallen informanten het politiewerk feitelijk onmogelijk maakte. Elke keer als de politie overwoog een drugstransport wèl te onderscheppen, kon een informant dat tegenhouden met het argument dat hij ontdekt zou worden en zijn leven gevaar liep. “Ik heb het gevoel dat men die truc kende in het criminele circuit”, zei Snijders. En zo werd de politie een gevangene van zijn eigen strategie.

Het 'informantenprobleem' waarmee de politie zichzelf had opgezadeld ging zelfs nog verder. Snijders: “Ik heb kunnen vaststellen dat enkele verdachten in een onderzoek op de stoep stonden te dringen bij een andere CID, want men wilde maar al te graag informant zijn. Als de politie in een netwerk wilde inbreken, zit er altijd wel iemand tussen die roept: 'Hoho, niet ingrijpen, ik ben informant van de CID'.”

Over de wijze waarop de CID in Haarlem zijn informanten precies begeleidde en inzette in criminele organisatie kwam de commissie overigens niets te weten. Van Vondel: “Ik heb hen als politieman namens de staat der Nederlanden absolute anonimiteit gegarandeerd. Ik ga het vertrouwen niet verbreken.” Zowel Langendoen als Van Vondel moet zich binnenkort weer melden bij Van Traa.

    • Rob Schoof