Het beste van drie werelden in één gebouw verenigd

Gebouw: Combinatiegebouw Politie/Sociale Dienst, Kennedylaan, Amsterdam. Architect: Claus en Kaan. Kosten: ƒ 3.200.000. Ontwerp: 1993. Uitvoering: 1995

Opdrachtgever: GEAM.

Amsterdam kent scherpe grenzen. De singelgracht, tussen de oude stad en de negentiende-eeuwse uitbreidingen, is er een, de scheiding tussen Berlage's Plan-Zuid en Buitenveldert is een andere.

Hoe te bouwen op zo'n grens? Voor deze vraag stonden Felix Claus en Kees Kaan toen zij de opdracht kregen om aan de Kennedylaan in Amsterdam een 'combinatiegebouw' voor de politie en de sociale dienst te ontwerpen. Moesten zij hun gebouw aanpassen aan de vooroorlogse baksteenarchitectuur van Amsterdam Zuid of aan de strakke lijnen van het optimistische modernisme van het naoorlogse Buitenveldert? Of juist iets heel afwijkends, iets dat bijvoorbeeld de jaren negentig vertegenwoordigt?

Kaan en Claus hebben uiteindelijk niet gekozen, maar het beste van drie werelden in hun gebouw verenigd. Het onderkomen voor de politie en de sociale dienst van de Amsterdamse Rivierenbuurt is ook in zijn uiterlijk een mengeling geworden. Het onderste gedeelte van het gebouw verwijst met zijn donkere bakstenen en onregelmatige ramen naar de Amsterdamse School en de uitkragende bovenkant is met het pleisterwerk en strookramen een ode aan het modernisme. En typisch jaren negentig is het gebouw geworden doordat het, zoals zoveel architectuur in dit decennium, letterlijke citaten bevat uit de modernistische architectuurgeschiedenis. De twee zijkanten hebben Claus en Kaan voorzien van een soort lichthappers, het soort ramen dat Bauhaus-architect Marcel Breuer al gebruikte in zijn Whitney Museum in New York. En de lage achterzijde, die grenst aan een parkje bij het Mirandabad, is net als Le Corbusiers Villa Savoye bij Parijs een platte doos op pootjes geworden. Alleen zweeft de doos, anders dan Le Corbusiers villa, niet, doordat de parkeerplaats van het politiebureau is omgeven door een kloek hek dat niet alleen ontsnappingen uit het bureau bemoeilijkt, maar ook het zicht op de open ruimte onder de doos hindert.

Ook typisch jaren negentig is het uitsnijden van een volume, een ontwerpwijze die in zwang is onder architecten die bij Rem Koolhaas hebben gewerkt, zoals nu nog is te zien op de tentoonstelling Referentie OMA in het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam. Claus en Kaan hebben uit de platte doos op poten een hap genomen, die als lichthof dienst doet.

Toch is het gebouw ondanks alle verwijzingen en citaten geen fragmentarisch collagegebouw geworden. Het is een sobere, beheerste sculptuur, opvallend genoeg om door snel rijdende autombilisten te worden opgemerkt tussen de flats aan de brede Kennedylaan, maar niet zo schreeuwerig en aandacht trekkend dat er ongelukken zijn te verwachten.

Zo sterk als de greep van de architecten op het exterieur is geweest, zo gering was die op het interieur. Binnenin het gebouw is vrijwel de enige bijzonderheid dat de kantoren niet zijn gelegen aan weerszijden van een gang, maar rondom de lichthof. Verder zijn de ruimtes en het materiaalgebruik onopmerkelijk. De hokkerige kamertjes en kantoren hebben dezelfde systeemplafonnetjes die in heel Nederland het leven der arbeidenden vergallen. Maar dat valt Claus en Kaan nauwelijks te verwijten. Over de materialen van het interieur hadden ze niets te zeggen, en wat cel- en andere ruimtes betreft schrijft de politie zeer stringente maten voor waaraan niet te tornen valt. Voor de sociale dienst, die de via een eigen ingang bereikbare bovenste etages in gebruik heeft, hebben de architecten nog wel een interieurontwerp geleverd, maar de werknemers van de dienst gaven de voorkeur aan een eigen indeling. Het gevolg is een labyrint van hokken, dat het nieuwe onderkomen van de politie en de sociale dienst ook in een ander opzicht tot een combinatiegebouw maakt: het verenigt de macht en onmacht van de architect in zich.

    • Bernard Hulsman