Een noodlottige omgangsregeling

“Klopt het dat u uw zoontje om het leven heeft gebracht?” Het is niet wat je noemt een alledaagse vraag, zelfs niet voor een ervaren rechter. Dat geldt ook voor het antwoord: “Ja.”

We bevinden ons in de meervoudige strafkamer van de rechtbank van 's-Hertogenbosch. Op de goed gevulde publieke tribune wordt nog geen kuchje gehoord als de voorzittende rechter, mevrouw mr. I. Quaadvliet, de gebeurtenissen van zaterdag 18 februari 1995 met de verdachte, Johan Panhof, doorneemt. De 37-jarige Panhof, gekleed in een donker pak en met een vaalbleke kleur op zijn ingevallen wangen, luistert zeer geconcentreerd.

Panhof had die zaterdag zijn 7-jarige zoontje Hans op bezoek. Sinds een jaar leefde hij gescheiden van zijn vrouw Gerda en Hans, hun enige kind. Er was na veel strubbelingen een omgangsregeling getroffen.

Panhof bracht een gezellige dag met zijn zoontje door. 's Avonds om zeven uur vroeg Hans of hij mocht blijven slapen. Panhof vond het een goed idee, maar Hans had de toestemming van zijn moeder nodig. Die weigerde tot tweemaal toe in een telefoongesprek met Hans. De jongen begon te huilen, waarna Panhof zelf zijn vrouw belde. Ze bleef bij haar weigering. “Ik werd gek”, zei Panhof later, “ik werd zó boos dat ik geen controle meer over mezelf had.”

Panhof liep naarboven om zijn autosleutels te pakken. Hans kwam achter hem aan, hevig huilend. Panhof drukte de jongen op het bed en kneep zijn keel dicht: een, twee minuten. “Ik weet niet waarom ik het deed”, zei hij later, “maar het was voor ons.”

Hij dacht er niet aan het bloedende kind bij kennis te brengen. Het enige wat hem bezighield, was de gedachte aan zelfmoord. Achteraf beweert hij dat hij in de veronderstelling verkeerde dat Hans al dood was. Het is echter waarschijnlijker - het onderzoek verschafte geen zekerheid - dat Hans toen nog leefde. Panhof pakte een doek om te voorkomen dat zijn lease-auto door het bloed besmeurd raakte, legde Hans in de auto en reed naar een bos.

Daar probeerde Panhof, staande naast zijn auto, zijn polsen door te snijden. Het lukte niet helemaal. Hij legde Hans daarna in een sloot. Even meende hij te horen dat Hans nog een zucht en een wind liet. Daarop stak hij de jongen met een mes in buik, borst en zij. “Om er zeker van te zijn dat hij dood was.” Hij probeerde zichzelf daarna tevergeefs, naast Hans in de sloot, te verdrinken.

Toen zijn zelfmoordpogingen mislukten, keerde hij terug naar de bewoonde wereld, waar hij zich verdwaasd bij een ziekenhuis meldde.

“Wat vindt u er nu van”, vraagt de rechter.

“Vreselijk.”

“Wàt is vreselijk?”

“Dit wens je niemand toe.”

“Dat jongetje had nog een heel leven voor zich. Hij was door uw problemen niet in staat dat leven voort te zetten.”

“Het was niet mijn opzet.”

“Maar waarom deed u het dan?”

“Er zijn zoveel vragen, ik heb er nog steeds geen verklaring voor. De hele week was onprettig geweest. Ik had een brief van haar advocaat gekregen over de omgangsregeling.”

In 1988 waren Panhof en Gerda getrouwd, nadat ze een aantal jaren hadden samengewoond. Twee jaar later waren er al grote spanningen waarbij de hulp van de politie en de Riagg moest worden ingeroepen. Toch hervatten Panhof en Gerda hun huwelijksleven - tot februari 1994. Toen gaf Panhof zijn vrouw zo'n hardhandige, urenlang durende aframmeling dat ze zich voorgoed van hem afkeerde. Ze vermeed voortaan elk contact met hem.

Panhof kwam in een toestand van permanente razernij terecht. Alles zat hem tegen: ook op zijn werk in de automatiseringsbranche kreeg hij conflicten. Hij begon zijn vrouw te volgen en soms klem te rijden. Ook telefonisch viel hij haar en haar ouders voortdurend lastig.

Al in 1990 had hij eens tegen Gerda gezegd: “Als je gaat scheiden, zal ik Hans vermoorden.” Tegen zijn eigen moeder en een kennis heeft hij nog in 1994 gezinspeeld op zelfmoord en moord op Hans. De gedachte aan die gecombineerde mogelijkheid moet een obsessie voor hem zijn geworden.

In februari 1994, een jaar voor de fatale dag, schreef Panhof een afscheidsbrief die hij op een floppy bewaarde. Enkele citaten daaruit: “Hans krijgt ze niet, die is nu definitief voor mij....Nu heb ik het probleem opgelost...Ik hoop dat de kerkdienst voor beiden gehouden kan worden...Ik ben gedwongen tot deze daad omdat ik geen toekomst meer zie...Ik ga er vantussen, samen met Hans...zelf had ik je al gewaarschuwd.” Panhof had zelfs de enveloppen geschreven met de adressen van degenen die de brief moesten ontvangen.

Op het verzoek van haar advocaat, mr. H. van Dijk, geeft de rechter het woord aan Gerda. Dat is uiterst ongebruikelijk, want Gerda treedt niet als getuige op. Ze krijgt, een meter schuin achter haar man gezeten, de gelegenheid haar gram te halen - en dat doet ze met grote voortvarendheid.

Gespannen, maar zonder haperingen houdt ze een vijf minuten durende tirade. “Ik ben de moeder van Hans. Hans mocht van zijn vader niet meer leven. Hij heeft op een beestachtige manier een kind doodgemaakt dat zó gelukkig was...een onschuldig kind. Het was uit wraak op mij en mijn ouders, een zinloze daad, want degene voor wie de wraak bedoeld was, leeft nog...Ik vind het walgelijk. Ik hoop dat iedereen ziet dat hij geen leven meer verdient, hij moet zijn leven lang in de gevangenis. Hij mag zich geen vader meer noemen. Daarom wilde ik ook zijn naam niet op het graf.”

Gerda vaart tevens uit tegen de instanties die deze afloop niet hebben kunnen voorkomen, maar zij maakt niet duidelijk hoe dit had gekund. Per slot van rekening was Panhofs agressie nooit eerder tegen het kind gericht geweest.

Panhof luistert roerloos naar de openbare afstraffing door zijn vrouw. De vraag rijst of de rechter er verstandig aan deed Gerda hiertoe de gelegenheid te bieden. Rechtszalen lijken niet de geëigende plaats voor wederwraak.

“Heeft u in een droom of waas gehandeld”, vraagt een rechter.

“Dat mag je wel stellen”, antwoordt Panhof. “Een normaal mens zou dit niet doen.”

“Bent u normaal?”

“Ja. Ik heb al 37 jaar normaal op deze aardbol rondgesprongen.”

De gerechtelijke psychiatrie denkt daar anders over. Panhof zou lijden aan een chronische, narcistische persoonlijkheidsstoornis. Hij is een gevaar voor anderen als hij zich gekrenkt voelt. Hij wordt verminderd toerekeningsvatbaar geacht. De kans op herhaling zou groot zijn - nog vanuit de gevangenis schreef hij dreigende brieven aan zijn schoonouders. Daarom luidt het advies: tbs met verpleging. De officier van justitie, mevrouw mr. E. Oosterwegel, voegt daar in haar eis zeven jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan toe.

(Het vonnis, twee weken later: een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht jaar en tbs met verpleging.) De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.