De hofkapper van het Leidse Minerva

Hij is de officiële hofkapper van de Leidse studentenvereniging Minerva. Vorig jaar, tijdens een “flink feest”, heeft hij het wapen van het corps uitgereikt gekregen. Hij is er “onwijs trots” op. “Er zijn maar vijf middenstanders in Leiden die dat wapen hebben. Sinds 1900 zijn er nog maar elf uitgereikt, dus het is aardig exclusief. Je moet het zien als een soort eerbetoon, een teken voor de Minervanen dat je in zo'n winkel rustig je boodschappen kunt doen.”

De status van corpskapper brengt onder meer met zich mee dat Eric Flanderhijn (32) elk jaar in september, na de Groentijd, de snorren en baarden van de begeleidingscommissie afscheert. “Dat zijn mooie avonden. Er is een diner in de grote zaal van de sociëteit, er worden liederen gezongen bij kaarslicht en we gaan op de foto.” Aan de wand van zijn zaak in de Leidse binnenstad hangen de stille getuigen: statige portretten van de in pak en stropdas gestoken kapper, geflankeerd door bebaarde commissieleden.

Flanderhijn schat dat zo'n veertig procent van zijn klanten uit studenten bestaat. “Er komen ook veel oud-studenten en zelfs studenten uit andere steden.” Voor buitenlandse studenten en studenten die uit Leiden vertrekken, heeft hij een gastenboek klaarliggen. “Er staan al zo'n honderd namen in.” Eenmaal heeft hij prins Willem-Alexander in zijn stoel gehad. “Die woonde tot voor kort hier om de hoek. Ik heb gewoon heel normaal tegen hem gedaan, maar het geeft natuurlijk wel een kick.”

Het leven als studentenkapper brengt heel wat verplichtingen met zich mee. “Vorige week had ik vijf afstudeerfeesten. Ik neem altijd een fles wijn of een doos sigaren mee. Daar plak ik dan een grote kam op, hoeft er geen kaartje aan.”

Nadat hij tien jaar bij een baas had gewerkt, begon Flanderhijn in 1991 voor zichzelf. Hoewel pas vier jaar oud, ziet zijn winkel eruit alsof er al vele generaties kappers hun bestaan hebben gesleten. In Noord-Holland tikte hij een oud stuk glas-in-lood met het woord 'kapper' op de kop, van een klant kreeg hij een antieke kassa en een oude kappersstoel. “Vorig jaar had ik op een veiling bijna een volledig interieur van een oude kapperszaak gekocht, maar een ander was me voor.” Hij wijst op een foto aan de muur van een kappersinterieur uit het Openluchtmuseum. “Daar leek het op. Het was zo'n langgerekte houten kast met een marmeren plaat. Ik heb gehoord dat die kast nu in een partycentrum hier in de buurt staat. Misschien ga ik nog wel eens kijken. Ik ben ook nog op zoek naar oude vitrinekasten en een oude toonbank. Liefst met laadjes. Ik heb namelijk een klant die zijn eigen spullen heeft: een tondeuse, scharen, kammen en een scheermes.”

Flanderhijn moet er niet aan denken om een 'trendy' kapperszaak te hebben. “Dat heeft iedereen tegenwoordig. Laat mij maar zo'n ouderwets herenkappertje zijn. Ik verkoop ook niet van die moderne produkten. Dat moet je allemaal maar bijhouden en binnen enkele maanden is er weer wat nieuws op de markt. Ik verdien zo ook mijn boterham wel.” Indien nodig knipt hij 'op de pof'. “Ik ben daar niet zo moeilijk in, ook niet bij vreemden. Zie het maar als een vorm van klantenbinding.” Flanderhijn heeft soms 'heimwee' naar vroeger, bekent hij. “Je hoort wel eens van die verhalen, dat kappers toen ook op zaterdagavond open waren, voor de bakker en de slager. De één nam dobbelstenen mee, de ander een fles jenever. Die tijd had ik graag mee willen maken.”

Het is nog nooit in zijn hoofd opgekomen om ook dames te gaan knippen. “Ik heb daar niet zo'n gevoel voor, voor dat gefriemel. Mannen knippen is veel makkelijker. Af en toe haal ik een föhn erdoor, maar daar houdt het wel mee op. Voor permanenten heb ik in mijn eentje geen tijd. En ach, de meeste mannen houden ook niet van die poespas.”

Het knipwerk verveelt nooit, vindt hij. “Dat komt door het kletspraatje dat ik met de klant hou. Dat gaat onbewust, hoor, zal wel komen omdat ik hier altijd alleen ben. Ik probeer altijd heel goed te onthouden wat ik de vorige keer tegen de klant heb gezegd. Dan bouw je een band op. Vaak zegt de klant 'zeg maar jij', maar dat vind ik toch wat te persoonlijk. Ik hou graag die afstand tussen klant en ondernemer. Anders ben je op den duur geen baas meer in je eigen zaak.”

Flanderhijn is voorlopig uiterst tevreden met zijn eenmansbedrijf. “Ik kan geen baas spelen, tegen iemand zeggen 'Joh, ga jij de zaak eens vegen'. Als ik tegen de veertig ga lopen, dan zal er wel iemand bij moeten komen. Want het is toch een zwaar vak, de hele dag staan. En je kan niet zeggen 'ik loop even de stad in, ik ben zo terug'. Er zitten constant klanten te wachten.”

Alleen 's zondags en 's maandags blijft de deur gesloten. “Die dagen zijn echt heilig voor me. Al moet ik elke zondag wel éven langsrijden om te kijken of alles er nog staat. Zo'n zaak is toch een soort kind van je.”

    • Friederike de Raat