Badmuts op en erin

Verlangend zit een klein meisje in een rode lange broek op de kant naar het felblauwe zwembad te kijken. Het is 40C en het water lokt. In het water en langs de kant, onder de vrolijk gekleurde parasols, zwemmen en spelen alleen mannen en uitgelaten jongetjes. Het meisje is de enige vrouwelijke aanwezigheid in het zwembad van het Laleh-hotel in Teheran en het is maar goed dat ze degelijk gekleed is. Vrouwen worden niet toegelaten in Iraanse openluchtzwembaden, en zeker niet in badpak.

Om de hoek, in de Hejab-straat, staat het vrouwenzwembad. Overdekt, in een soort fabriekshal zonder ramen, geheel afgeschermd van een lustende buitenwereld. Een vochtige chloorwalm is de enige aanwijzing: hier moet het zijn.

Buiten staan in wijde, zwarte chador gehulde wezens te wachten tot een volgende badperiode begint. Binnen gaan de lappen af en zijn het toch gewone vrouwen. Alleen blijken ze, niet langer verborgen onder hun wijde gewaad, over het algemeen aan de forse kant en bléék, in-en-in bleek.

Energieke dames hebben de leiding in het zwembad en aan hun regels valt niet te tornen. Allemaal douchen, en dan badmuts op en erin. Een meisje dat de voetenbak overslaat wordt onverbiddelijk terugverwezen.

Onze baantjes mogen we alleen over de breedte zwemmen. Heen en weer gaan we, eindeloos; beginners aan de uiteinden, gevorderden in het midden. Een lengte-zwemster wordt meteen tot de orde geroepen. Wij in het midden moeten anderhalf uur lang de borstcrawl doen, eerst de benen, dan de armen en ten slotte allebei. De Hollandse slag kan de toets der kritiek doorstaan: doe 'ns voor?

Andere dames staan voortdurend de kanten en de kleedruimten te schrobben; ongedierte krijgt van hen geen enkele kans. Ze gooien lekker fris met schoonmaakmiddelen, zozeer dat die een chemische reactie lijken aan te gaan met het extra-gechloorde zwemwater. Als we eruit moeten, hebben we felrode ogen.

's Avonds kijk ik vanuit mijn kamer verlangend naar het vrijgevochten hotelzwembad. De volgende ochtend wachten mijn strenge dames weer.

    • Carolien Roelants