AOW ongewisse basis voor aanvullend pensioen

De vergrijzing zet niet alleen de AOW als zodanig onder druk. Ook aanvullende pensioenregelingen hebben daar steeds meer onder te lijden. Aanvullende pensioenregelingen streven ernaar werknemers een adequaat oudedagspensioen te geven, zulks inclusief het AOW-pensioen. Het aanvullende pensioen vult de AOW in feite aan tot een bepaald niveau.

Het uitkeringsniveau van aanvullende pensioen en de AOW tezamen is daarbij vaak gericht op een totaal pensioeninkomen van 70 procent van het laatste loon. De AOW blijkt echter een steeds onbetrouwbaarder fundament te zijn, om daarbovenop een aanvulend pensioen op te bouwen. Een ontkoppeling van het aanvullende pensioen van de AOW komt daarom steeds meer voor.

De AOW is in 1957 heel welbewust opgezet met het oogmerk het tot stand komen en het in stand blijven van aanvullende bedrijfspensioenregelingen te stimuleren. Het belangrijkste element hierbij was destijds dat de AOW-uitkering inkomensonafhankelijk werd gemaakt, dit in tegenstelling tot de uitkeringen uit de voorloper van de AOW, de Noodwet Ouderdomsvoorziening 1947.

De AOW is sedert 1957 geëvolueerd van een bodempensioen naar een uitkering op sociaal minimumniveau. In dat kader werden enige structurele verhogingen in de AOW-uitkering doorgevoerd, met als sluitstuk de koppeling aan het nettominimumloon in 1980. De structurele verhogingen in de AOW waren bedoeld om het pad te effenen voor verbetering van de aanvullende pensioenen, zo valt te lezen in de toelichting op een wijziging van de AOW in 1970.

Daarom werd het in datzelfde jaar via een wettelijke bepaling in de AOW verboden om de structurele AOW-verhogingen in mindering te brengen op het aanvullend pensioen. De verhogingen van het AOW-pensioen zouden hun doel immers grotendeels voorbij schieten, indien het aanvullend pensioen tegelijk werd gekort met eenzelfde bedrag als de AOW-verhoging. En inderdaad is er waarschijnlijk mede dankzij de AOW een goed - zelfs zeer goed - aanvullend pensioenstelsel tot stand gekomen in Nederland.

Daarbij is het voor aanvullende pensioenregelingen ook essentieel om te weten hoe de AOW zich zal ontwikkelen. Indien namelijk is toegezegd dat het aanvullende pensioen 70 procent van het loon met inbegrip van de AOW bedraagt, heeft elke wijziging - met name verlaging - van de AOW onmiddellijk (financiële) repercussies voor de hoogte van het aanvullende pensioen. Wat dit betreft hebben aanvullende pensioenregelingen al veel voor de kiezen gekregen en is er sinds 1970 veel veranderd.

Hierbij speelt het probleem van de indexering van de AOW-uitkeringen. Aanvankelijk stond in de AOW zelf een indexeringsbepaling, waardoor de koopkracht van de AOW-uitkeringen kon worden aangepast aan de inflatie. Met de koppeling van de AOW-uitkeringen aan het netto-minimumloon in 1980, werd de indexering van de AOW afhankelijk van de aanpassing van het minimumloon.

Dat bleek geen succes voor de gepensioneerden, want een verhoging van het minimumloon werd slechts éénmaal toegepast en voor het overige vond een bevriezing en zelfs een verlaging van het minimumloon plaats.

De koopkracht van het AOW-pensioen is in de loop van de laatste 10 tot 15 jaar daardoor substantieel achtergebleven bij de loonontwikkeling in het bedrijfsleven. In de periode 1985-1994 is de AOW ruim 5 procent achter gebleven bij de loonstijging in het bedrijfsleven. In de periode 1992-1994 bleef de AOW jaarlijks 1 procent achter bij de loonontwikkeling. Hierdoor wordt het aandeel van het AOW-pensioen in het totale pensioeninkomen automatisch minder. Als immers een pensioen van 70 procent van het loon inclusief de AOW is toegezegd, en het loon stijgt meer dan de AOW, zal dat achter blijven van de AOW gecompenseerd worden doordat het aanvullend pensioen wordt.

Het aanvullend pensioen vangt de bezuiniging in de AOW derhalve op. Anders gezegd: het bedrijfsleven krijgt de rekening gepresenteerd van de AOW-bezuiniging. Berekeningen tonen aan dat wanneer de AOW 1 procent per jaar achter blijft lopen bij de ontwikkeling, de jaarlijkse pensioenlast met 14 procent per jaar stijgt, hetgeen macro-economisch resulteert in een contante waarde van 40 miljard gulden.

Nu zitten werkgevers natuurlijk niet op een dergelijke kostenstijging te wachten. Ook de overheid is van mening dat de lasten voor het bedrijfsleven juist verlaagd moeten worden. Dat zou er toe kunnen leiden dat de overheid haar eigen verantwoordelijkheid voor een goede - en dus behoorlijk geïndexeerde - AOW eens gaat waarmaken. Eén van de eerste zaken die daarbij veranderd zouden kunnen worden is de koppeling van de AOW aan de stijging van het minimumloon.

Het niet of beperkt laten stijgen van het minimumloon kan uit arbeidsmarktpolitieke overwegingen best zinvol zijn. Met dergelijke overwegingen hebben gepensioneerden evenwel niets te maken. Het invoeren van een autonome stijging van de AOW zou eigenlijk prioriteit nummer één moeten zijn.

De overheid heeft het tot nu toe over een andere boeg gegooid, te weten een ontmoedigingsbeleid voor (verdere) verbetering van aanvullende pensioenen. Met regelmaat wordt verkondigd dat eindloonregelingen eigenlijk te duur zijn en vorig jaar is het verbod om de structurele AOW-verhogingen in mindering te brengen op het aanvullend pensioen geschrapt.

Het bedrijfsleven kan - wil het de stijging van de pensioenlasten ontlopen - bij een dergelijke overheidsbenadering eigenlijk alleen maar overgaan tot het loskoppelen van het aanvullend pensioen van de AOW. Het aanvullend pensioen geeft dan geen aanvulling meer op de AOW, maar biedt een uitkering die geheel los staat van de AOW. Diverse bedrijven, waaronder onlangs Shell, zijn op een dergelijke AOW-onafhankelijke pensioenregeling overgestapt.

Een veel gebruikte methode is dat er een fictief AOW-bedrag in de aanvullende pensioenregeling wordt ingebouwd en deze fictieve AOW stijgt vervolgens gelijk met de loonstijging. Als de echte AOW minder stijgt, bijvoorbeeld 1 procent per jaar achterblijft, zal dit uiteindelijk betekenen dat het totale pensioeninkomen van gepensioneerden achterblijft bij de lonen van de werkenden. Met andere woorden: het doel van een uitkering van 70 procent van het loon zal niet meer bereikt kunnen worden. Het inkomen van de toekomstig gepensioneerden, zal er daardoor heel wat minder gunstig uit te komen te zien.

In feite ontstaat hier een nieuw pensioenbreukprobleem. Werknemers dienen zich hier goed bewust van te zijn, opdat zij desgewenst tijdig zelf voor aanvullende verzekeringen kunnen zorgen.

Of een mogelijke daling van het pensioeninkomen economisch wenselijk is gelet op de alsdan verminderde bestedingsruimte en het te verwachten grotere beroep dat op inkomensafhankelijke zorgvoorziening gedaan kan gaan, is ook nog een openstaande vraag. Voor het bedrijfsleven is ontkoppeling van aanvullend pensioen en AOW niettemin aan te raden. Daardoor verandert het aanvullend pensioen wel van karakter, want het vult de AOW de facto niet meer aan. Aanvullend pensioen verwordt tot een geïsoleerd bedrijfspensioen.

    • Prof. Dr. E. Lutjens