Advocaten

In NRC Handelsblad van 16 september prijkt boven een betoog van mr. G. Spong de kop: 'Voor criminele advocaten bestaat geen enkel bewijs'. Zowel de kop als het betoog roepen het beeld op dat advocaten in Nederland zich niet met criminele handelingen in zouden laten. Dit beeld is onjuist en misleidend en behoeft daarom correctie.

Op de eerste plaats bestaat er méér al dan niet georganiseerde misdaad dan die waarmee de enquêtecommissie zich bezighoudt. Bij vele ontoelaatbare criminele handelingen zijn advocaten betrokken en vaak staat het bewijs daarvoor volgens de bestaande wetten (Advocatenwet, gedragsregels voor advocaten, wetboek van strafrecht en strafvordering) vast. Dat het in deze niet tot bewijzen komt ligt niet aan die wetten, maar aan de advocaten en rechters, die ze niet naar behoren uitvoeren, zonder daarvoor gestraft te worden. Het zou zelfs kunnen liggen aan het feit dat er criminele advocaten zijn. Advocaten blijken bij uitstek geschikt om criminelen (goedbetaalde) rechtsbijstand te verlenen. Maar de pitbulls en de fox-terriers onder de advocaten die er een eer in stellen om de bewijzen aan de oppervlakte te krijgen voor het feit dat hun hooggeleerde vakbroeders zich crimineel gedragen moeten nog geboren worden. Spong wijst op de bij wet gegeven mogelijkheid voor de officier van justitie om een klacht in te dienen bij de tuchtcolleges en de mogelijkheid van de deken om ambtshalve tegen een advocaat op te treden. Dat staat inderdaad wettelijk vast. Vast staat ook dat vele dekens en officieren van justitie tegen alle feitelijkheid en redelijkheid, die klagende burgers hen aandragen, in, hun handen niet uit de mouwen steken. Verzet daartegen kost jaren.