Vergeten vrouwenhand herdacht en vergeten

De evenementen rondom vijftig jaar wederopbouw van Rotterdam naderen hun einde, en op de valreep wordt eer bewezen aan de groepen die tijdens grootse manifestatie '50 jaar Wederopbouw - 50 jaar Toekomst' niet in beeld zijn geweest.

Een voorbeeld van zo'n 'vergeten groep' vormen vrouwen. Vandaar dat vorige week in het stadhuis een boekje gepresenteerd werd over de bijdrage van vrouwen aan de vorming van het na-oorlogse Rotterdam. '50/50 Vrouwen bouwen aan Rotterdam 1945-1995' heet deze uitgave van de dienst Stedebouw en Volkshuisvesting. Het viel niet mee de bundel op de rails te krijgen. Op hoog politiek niveau - in de gemeenteraad - moest zwaar worden gelobbyd om het boekje überhaupt te laten verschijnen, valt in de inleiding te lezen. “Omdat vrouwen zo'n kleine rol in de wederopbouw hebben gespeeld is het heel makkelijk hen te vergeten in de euforie van vijftig jaar bouwen aan de toekomst”, schrijft samenstelster Mieke de Wit.

Wat deden dan de vrouwen volgens de auteurs in de jaren na de bevrijding? Rotterdam had een voortrekkersrol als het ging om de inbreng van vrouwen bij bouwen, zo blijkt, onder meer uit interviews met tien vrouwen. Als eerste in Nederland kreeg de stad in 1946 een Vrouwenadviescommissie voor de woningbouw (VAC). De commissie had tot doel om de gemeente te adviseren bij de woningbouw om zo “de huishoudelijke stem te vertolken”.

“Het ging ons vooral om de praktische beleving van de woning”, herinnert een van de oud-VAC-participantes zich. Een effen behang in plaats van een bloemetjesbehang, omdat daarmee de kamer groter leek; een extra wastafel in de slaapkamer, een hangkastje boven de eettafel om ruimte te besparen, een fonteintje op het toilet. Een hoogtepunt in de strijd voor vrouwvriendelijke behuizing vormde een conflict met mannelijke architecten over het plaatsen van wasmachines in de badkamer, in plaats van in de keuken. De strijdkreet toen gebruikt doet nu vertederend aan: “Vuile sokken en spinazie zijn geen gezonde combinatie”.

Volgens Artemis Westenberg, voorzitster van de Rotterdamse vrouwenraad, lopen vrouwen nog altijd te hoop tegen 'mannelijke' ontwerpen: wonen, werken en voorzieningen zijn in stedebouwkundige plannen vaak van elkaar gescheiden. Daardoor lopen vrouwen een oneindige steeple-chase, aldus Westenberg. “'s Ochtends brengen we onze kinderen weg in de ene wijk, ons werk ligt in een andere wijk en boodschappen doen we 's avonds onderweg naar huis.”

Maar in dit beeld van vrouwen die hun plaats bevechten in een wereld van mannenarchitectuur, is het toch wat merkwaardig dat men geen melding maakt van grote Rotterdamse stedebouwkundigen als Lotte Stam-Beese. Zij was van 1946 tot 1968 stedebouwkundig hoofdarchitect van de Dienst Stadsontwikkeling en Wederopbouw. Zij legde letterlijk de grondslag voor de wijken Kleinpolder (1947-1952), Pendrecht (1949-1952), Westpunt (1957) en in Alexanderpolder, Het Lage Land en Ommoord (1962-1969). En ook het meest prestigieuze bouwproject van dit moment in Rotterdam - de Kop van Zuid - is verzonnen door een vrouw, Riek Bakker, oud-directeur van dS+V.

Om in een jubileumjaar aandacht te besteden aan vergeten groepen kan geen kwaad. Maar de inbreng van vrouwen aan de wederopbouw van de stad gaat verder dan het propageren van effen behang of een strijd tussen mannelijke stedebouwkundigen en architecten en vrouwelijke bewoners. Als er één stad in Nederland door vrouwenhand is vormgegeven, dan is het wel Rotterdam.