'Trainen, daar vond ik eerst niets aan'

Ik ben vijf jaar geleden begonnen. Toen was ik acht. Mijn vader ging fietsen en ik ging een keertje mee. En ik vond het best leuk, dus ben ik het blijven doen. Ik kreeg mijn eerste racefiets bij mijn eerste communie.

In het tweede jaar ben ik wedstrijden gaan rijden. In het begin lag ik er de hele tijd af, maar later ging het beter. Toen ging ik ook meer trainen. Trainen, daar vond ik eerst niks aan. Bij een wedstrijd gebeurt er meer. Het mooiste vind ik de sfeer. Op een landelijk toernooi komen ze uit heel Nederland. Dan is het druk. De jongens uit Brabant en Limburg en uit Overijssel en Drente zijn het beste.

Vorig jaar werd ik tweede op het NK, achter een meisje. De meisjes die één jaar ouder zijn doen met ons mee. Dat is geen probleem, ze gaan ongeveer net zo hard. Dit jaar bleef het peloton de hele tijd bij elkaar. Niemand probeerde weg te komen. Bij de laatste bocht ging het nog bijna mis. Er reed iemand tegen mij op. Ik raakte uit balans. De rest was al een eindje voor, maar ik kreeg ze toch nog te pakken op de streep. Ik wou per se winnen. Ik was al eens tweede geweest.

Wij rijden bijna iedere week een koers. Dan maken ze met hekken een parcours van een kilometer. We rijden 25 rondjes. Wij rijden met een vast verzet. Volgend jaar, in categorie zeven, mogen we voor twee en achter drie tandwielen. Aan die helm ben ik gewend, daar voel je niets meer van. Mijn fiets maak ik soms zelf schoon, anders doet mijn vader het. Poetsen vind ik niet zo leuk.

Mijn favoriete wielrenner is Gianni Bugno. Ik heb een foto met handtekening van hem: 'Con sympatia'. Mijn vader had zijn adres en ik heb een brief geschreven. Een Nederlander weet ik niet. Die rijden op het moment niet zo goed.

    • Remmelt Otten