Sportbevordering moet zich op grote steden richten

Onze jeugd wil maar niet bewegen en wordt steeds ongezonder. Naar aanleiding van een TNO-gezondheidspeiling onder scholieren stelden de paarse fracties begin dit jaar zelfs Kamervragen en drongen aan op een actieplan lichamelijke opvoeding en sport.

De staatssecretarissen van onderwijs en sport speelden de bal door naar de maatschappelijke organisaties. Die reageerden adequaat: in april kwam de sportkoepelorganisatie NOC-NSF - gesteund door onder ander de Koninklijke Vereniging van Leraren Lichamelijke Opvoeding (KVLO) - met het gevraagde plan. De kern daarvan luidt dat jongeren geholpen moeten worden bij het maken van hun sportkeuze. Vandaag de dag wemelt het immers van de sportmogelijkheden: fitness, traditionele wedstrijdsport, risicosport, topsport. Zonder begeleiding zien de jongeren door de bomen het bos niet meer, zo stelt het actieplan. De voorgestelde beleidsmaatregelen bevatten enerzijds stokpaardjes zoals de vakleerkracht lichamelijke opvoeding en een verruiming van de onderwijstijd voor lichamelijke opvoeding op de basisschool. Anderzijds worden nieuwe initiatieven voorgesteld zoals de instelling van een landelijk informatiepunt voor sportoriëntatie en -keuze. Om dat alles mogelijk te maken moeten de sport, het onderwijs en de overheid nauwer samenwerken. Hoe moet dit plan nu beoordeeld worden? Voorop staat dat het belang van een goede lichamelijke opvoeding op scholen moeilijk overschat kan worden. Voldoende en verantwoorde lichaamsbeweging draagt immers bij aan een vermindering van de kans op hart- en vaatziekten. Zeker aan de vooravond van het digitale tijdperk kan jongeren dat besef niet vroeg genoeg worden bijgebracht. Waar jongeren zich voor hun videoband nu nog een wandeling naar de videotheek moeten getroosten, zullen de digikids in de toekomst over de elektronische snelweg razen en de videoband achter hun scherm bekijken. Ook voor boodschappen en bepaalde vormen van onderwijs hoeven jongeren het huis niet meer te verlaten. Er is dus alle reden om aan te nemen dat de hoeveelheid lichaamsbeweging van jongeren in de toekomst verder zal afnemen. Toch kunnen er ook kanttekeningen bij het actieplan geplaatst worden. In de eerste plaats schetst het plan een wel erg somber beeld: in de loop van het voortgezet onderwijs neemt de sportdeelname af, bij HAVO- en VWO-leerlingen vermindert bovendien de motivatie voor de les lichamelijke opvoeding en tot overmaat van ramp zou het steeds moeilijker worden om vrijwilligers te vinden voor de begeleiding van al die jongeren. Het is goed om de zaken niet treuriger voor te stellen dan ze zijn. Er is in onze bevolking geen enkele leeftijdscategorie die zo veel aan sport doet als juist de 12- tot 15-jarigen: zo is maar liefst 64% lid van een sportvereniging. Vanaf het zestiende jaar treedt een daling in die verband houdt met schoolverplichtingen en met interesse voor andere vrijetijdsactiviteiten. Die interesse ontstaat omdat jongeren in de puberteit eigen sportkeuzes maken; daarvóór doen zij vooral aan sport omdat anderen (ouders en leeftijdgenoten) dat doen. De terugvallende sportparticipatie op 16-jarige leeftijd is dus een natuurlijk proces. Ook voor doemdenken over een verminderde vrijwilligersbereidheid is geen reden: uit recente cijfers van het CBS blijkt dat het aantal vrijwilligers in de sport tussen 1987 en 1993 met maar liefst 167.000 is toegenomen tot 399.000. De tweede kanttekening bij het actieplan is dat voorbijgegaan wordt aan de belevingswereld van jongeren zelf. Geen woord over hun beweegredenen om met sport te stoppen. Uit onderzoek blijkt dat die motieven gevormd worden door een drukke agenda, gebrek aan gezelligheid in sportverenigingen en een verkeerde benadering van jongeren. Vooral dat laatste motief kan een aangrijpingspunt vormen voor beleid. In Enschede bleek dat jongeren in de eerste plaats serieus genomen willen worden en een stem willen hebben in het verenigingsbeleid. Dat stelt eisen aan het kader van een sportvereniging, bijvoorbeeld in termen van het leidinggeven aan groepsprocessen. De derde kanttekening bij het actieplan is dat de werkelijk inactieven over het hoofd worden gezien. Uit de TNO-peiling is gebleken dat zes procent van de scholieren ongezond is. Die groep bevindt zich vooral in de grote steden. Bovendien blijkt uit de peiling dat kinderen van laag-opgeleide ouders en van niet-Nederlandse herkomst minder sporten. De bewindslieden van onderwijs en sport doen er dan ook goed aan om - in reactie op het actieplan - in overleg te treden met de staatssecretaris van binnenlandse zaken. Die is verantwoordelijk voor het grote-steden-beleid. Een actieplan lichamelijke opvoeding en sport dient in de eerste plaats een plan voor de grote steden te zijn.

    • Paul Strijp