Klein en bruin maar toch geen mussen

De dinosaurussen zijn niet uitgestorven. Hun nazaten jagen op kruimels appelgebak op terrassen, bedelen bij hengelaars om vis en stampen rond op uw dak: vogels. De stad is vaak de beste plek om ze van dichtbij te zien. Vandaag kijken we naar roodborst, winterkoninkje en boomkruiper.

Hoeveel aspirant-zelfmoordenaars worden behouden door roodborstjes? Het moeten er meerdere per jaar zijn. Het touw hangt al aan de beijzelde boom, een laatste blik wordt op de doodstille boswereld geworpen. En dan staat opeens het vogeltje van de kerstkaarten aan je voeten. Belangstellend kijkt het naar je op, het snaveltje berispend geheven. Een handreiking? Het touw wordt opgeborgen, voor een volgende keer. En kijk, terwijl je door de krakende bladeren wegloopt volgt het vogeltje in je voetspoor. Opgelucht doet het je uitgeleide naar een nieuw bestaan.

Ondertussen is de roodborst ook bij de ontmoeting gebaat. In herfst en winter is klein levend voedsel in bos en park moeilijk te vinden. Het is er wel, maar diep weggekropen tussen de gevallen bladeren. Voor een kleine vogel is daar haast geen bijkomen aan. Roodborstjes volgen daarom de verrichtingen van mensen en andere zoogdieren. Waar die sloffend en struikelend de bodem omwoelen kan naar voedsel worden gespeurd.

De roodborst is met geen andere in Nederland wonende vogel te verwarren. Ook de keelstreek, wangen en het voorhoofd zijn fel rood. Verder is de vogel van boven bruin en van onder licht gekleurd. In stadsparken en tuinen zijn roodborstjes het hele jaar te horen. De korte, gevarieerde zangstrofes wekken de indruk dat het dier aarzelend zoekt naar de beste noten. De motoriek is die van een klein lijstertje. Een zittende vogel die op zijn hoede is houdt de staart altijd wat opgericht, met schuin naar beneden stekende vleugelpunten. Roodborstjes houden er 's winters individuele leefgebieden op na, die ze fel verdedigen. Ook de vrouwtjes dragen de rode territoriumvlag. In het voorjaar compenseren zij voor dat maatschappelijk vertoon. Zij moeten zich tegenover de mannetjes overdreven onderdanig gedragen wil er van paarvorming iets komen.

In de categorie 'klein, bruin, maar geen mus' valt ook de winterkoning. Ook hij is heel herkenbaar: een eigenlijk onmogelijk klein vogeltje, gevarieerd bruin en met een eigenzinnig opgewipt ministaartje. Vliegend schiet het als een bruin kogeltje voorbij, met een snorrend bijgeluid. Ooit kwam hij als enig lid van zijn vogelfamilie overvliegen uit Amerika; nu is hij in Europa een van de talrijkste vogels. Winterkoningen zijn vaak in de buurt van rommelig struikgewas te vinden, zelfs in een verder kaal park. Het loont de moeite hun zang te leren herkennen - aan de vaak geroemde koorzang die uit machtige vogelkelen opstijgt leveren zij een buitensporige bijdrage. Het lied is harder dan mogelijk lijkt voor zo'n klein vogeltje - het lijkt zich dan ook extra stevig vast te grijpen bij die krachttoer. Een duidelijke, uitgewerkte strofe van zo'n vijf seconden wordt met tussenpozen herhaald. Er buitelen heel wat tonen over elkaar heen, maar een rustpunt wordt bereikt in een lang aangehouden ratel, halverwege of tegen het eind. Het geheel klinkt zeer zelfovertuigd. Dat mag ook wel: de passerende mensen stellen qua gewicht tienduizend maal meer voor. Niettemin ziet dit vogeltje er geen been in deze terecht te wijzen wanneer ze te dichtbij komen. Met strenge blik scheldt hij vanuit zijn struikgewas: een scherp 'tik'. Roodborstjes doen hetzelfde.

Een derde alledaagse vogel wordt makkelijk over het hoofd gezien terwijl zijn bescheiden 'sie' verzinkt in verkeersgeluiden: de boomkruiper. Boomkruipers zijn niet alleen klein, tussen roodborst en winterkoning in, maar maken ook nog eens een gedrongen indruk. Van boven gemêleerd donker bruin, in een geslaagde reproduktie van boomschors, vallen ze nauwelijks op. Boomkruipers klimmen in korte rukjes tegen bomen op. Ze worden daarbij gesteund door een stevig staartje. Hun lange, naar beneden gebogen snavel leent zich goed voor het achterhalen van insekten uit spleetjes. Spiraalsgewijs klimmen ze langs een boomstam naar boven en vliegen dan naar de volgende, om weer onderaan te beginnen. Een zijtak wordt ook cirkelend bewandeld, waarbij de vogel zich moeiteloos ondersteboven staande houdt. Een groot stadspark biedt belangstellenden ontmoetingen met boomkruipers. In Amsterdam zijn het zelfs grachtengordelvogels. Zij maken er graag een rondje langs de oudere bomen. Met hun typische bosvogeluiterlijk maken ze een wat verdwaalde indruk.

Jonge, onervaren boomkruipers hebben wel bewegingloos staande mensen spiraalsgewijs beklommen. De soms schijnbaar vertrouwelijke opstelling van boomkruipers en winterkoninkjes tegenover mensen is eigenlijk enorme onverschilligheid. Zij zoeken hun voedsel op ouderwetse wijze geheel zelfstandig. Maar roodborsten richten zich sterk op voedertafels.

Speciale stadsrisico's: de reinigingsdienst. Roodborsten maken inventief gebruik van onnatuurlijke materialen als onderkomen. Het stadspark heeft een royaal aanbod. Zeker in het dichte struikgewas blijven nuttige materialen, van blikjes tot brommerkoplampen, jaren achtereen bewaard. Zo had het Rotterdamse Kralingse Bos lange tijd een verborgen stukje dat bezaaid lag met emaille pannen en vergieten. Die vormden ideale nestgelegenheid voor de roodborsten - jarenlang werd verhuisd van pan naar pan. Maar op een slechte dag, meestal bij mooi zomers weer, besluit een nieuwe lading gemotiveerd personeel nu ook eens tussen de struiken te reinigen. Dan komt een inventief roodborstnest in de vuilniswagen terecht.

    • Frans van der Helm