Grenzen Groene Hart bleken vaak van elastiek

Hoe moet het op langere termijn verder met het Groene Hart? Bebouwen of juist niet? Het ministerie van VROM is mordicus tegen verder oprukkend beton, maar de maatschappelijke druk om toch te bouwen neemt voortdurend toe. Vorige maand schaarde het ministerie van verkeer en waterstaat zich bij de bouwadepten. Over de toekomst van het gebied organiseert VROM de komende maanden een serie zogenoemde Groene-Hartgesprekken. Vandaag begint de cyclus. Profiel van een stuk Holland met omstreden status.

Het veenweidegebied bij Hoogmade, met zijn vergezichten vol vogels, molens en volle boezems - dat is wat menigeen zich voorstelt bij het Groene Hart. Dat is ook het beeld dat het ministerie van VROM graag in stand houdt: een mooi, groen, oerhollands landschap, waard om bewaard te worden.

Vanaf het perron van het spiksplinternieuwe spoorstation Gouda Goverwelle raakt de horizon geleidelijk aan buiten zicht. Bakstenen en beton bestormen de polder. Deze wijk moet Gouda in de buurt brengen van 80.000 inwoners en de bevolkingsdichtheid van de stad ruim boven die van Amsterdam uit tillen. Ook dit is het Groene Hart.

Het Groene Hart is als concept nauw verbonden met dat van de Randstad - zonder rand geen hart - en als zodanig ongeveer een halve eeuw oud. Sinds het einde van de jaren vijftig zijn de grenzen van het gebied precies vastgelegd, maar pas in de Tweede nota ruimtelijke ordening (1966) heet het gebied ook in ambtelijk jargon Groene Hart.

Binnen de grenzen ervan gold en geldt dat slechts op beperkte schaal woningen en bedrijfspanden mogen worden gebouwd. Toch is sindsdien de stad Zoetermeer verrezen, met meer dan honderdduizend inwoners, en is er in de Haarlemmermeer, bij Leiderdorp, onder Utrecht en langs de as Rotterdam-Den Haag flink gebouwd. Het restrictief beleid geldt echter nog steeds; wel zijn de grenzen van het Groene Hart in de loop der jaren verschoven.

Tegenwoordig liggen die grenzen vast in een planologische kernbeslissing, de Vinex, vastgesteld in 1993. Binnen deze grenzen liggen 44 gemeenten in hun geheel of vrijwel in hun geheel. Deze gemeenten herbergen samen zo'n 700.000 inwoners. Daarnaast zijn er nog eens 26 gemeenten die voor een stukje in het Groene Hart liggen, meestal een nauwelijks bewoond stukje.

In tegenstelling tot het eerder geschetste beeld van het veenweidegebied is het Groene Hart dus allesbehalve leeg. De gemiddelde bevolkingsdichtheid bedraagt er zo'n 460 mensen per vierkante kilometer, hetgeen overeenkomt met het gemiddelde voor Nederland. De verschillen tussen de gemeenten zijn echter enorm. Gouda is met bijna 4.500 mensen per vierkante kilometer even dicht bevolkt als Amsterdam. Zes Groene-Hartgemeenten behoren tot de honderd dichtstbevolkte van het land. Maar gemeenten als Graafstroom, Vlist en Lopik zijn naar Hollandse maatstaven wel tamelijk leeg. Toch is de bevolkingsdichtheid er nog altijd vijf keer zo groot als in dunbevolkte gemeenten in het noorden van het land.

De grenzen van het Groene Hart zijn beleidsgrenzen. Ze zijn op de kaart getrokken door ambtenaren. Je ziet ze niet in het landschap. Ook landschappelijk is het Groene Hart geen eenheid. Het veenweidegebied in het noordwesten ziet er heel anders uit dan rivierkleipolders in het zuiden, en dat is weer heel anders dan het stroomgebied van de Vecht in het noordoosten. Het zuidelijk deel van het Groene Hart lijkt aanzienlijk meer op het zich ten oosten daarvan uitstrekkende rivierengebied, dan op het noordelijker deel van het Groene Hart.

Toch is er een bindende factor. Vóór de Middeleeuwen was het een vrijwel onbewoonbare, drassige woestenij. Bevolkingscentra lagen op de oeverwallen in het zuiden en noorden, op het duinzand in het westen en tegen de Utrechtse heuvelrug in het oosten. Slechts door bemaling werd het gebied bewoonbaar en geschikt voor landbouw. Zonder menselijk ingrijpen in de waterhuishouding zou het ook nu nog helemaal onderlopen, grote delen zelfs tot aan de dakgoot.

Ten behoeve van de landbouw werd het zompige land drooggemalen, en landbouw legt tegenwoordig nog altijd beslag op verreweg de meeste ruimte: meer dan tachtig procent. Vrijwel al het groen in het Groene Hart is dus produktiegroen, ook wel heugafelt-groen genoemd. Natuur is er vrij schaars: minder dan vijf procent, geconcentreerd rondom enkele plassen. Wel is het gebied van belang als broedgebied voor weidevogels.

Koeien vormen de meest opvallende diersoort in het Groene Hart. Er grazen er meer dan 300.000. Varkens en vooral kippen zijn er veel meer, maar die blijven doorgaans binnen. Met 400.000 varkens en 1,7 miljoen kippen speelt het gebied overigens een te verwaarlozen rol in de Nederlandse veeteelt. Hoewel de aantallen er voor een leek wellicht imposant uitzien, gaat het om slechts zes procent van de Nederlandse koeien, nog geen drie procent van de varkens en nog geen twee procent van de kippen. Lopik is de beestenkampioen van het Groene Hart, maar zit op nationale schaal hooguit in het peloton.

Tuinbouw vormt de andere belangrijke tak van de agrarische sector in het gebied. Waar de graasbedrijven domineren op de rivierklei in het zuiden, domineert de tuinbouw op het veen in het midden en noordwesten. Boskoop geldt als het bosbouwcentrum van Nederland. Akkerbouw komt slechts sporadisch voor.

De agrarische sector mag dan in ruimtelijke zin dominant zijn, op het punt van werkgelegenheid is dat beslist niet het geval. Vier procent van de arbeidsplaatsen in het gebied zit in de landbouw. De industrie is goed voor een procent of dertig, evenals handel en transport. De dienstensector (inclusief de overheid) levert de meeste banen op.

Het Groene Hart vormt geen aaneengesloten groen gebied. Verscheidene groene enclaves worden van elkaar gescheiden door dikke bundels infrastructuur. Rondom het asfalt en de spoorwegen ontwikkelen zich in toenemende mate bedrijventerreinen. Het is de laat-twintigste-eeuwse variant van de lintbebouwing die zo karakteristiek is voor veel Nederlandse dorpen. Bedrijven kiezen voor plaatsen als Woerden en Gouda wegens de bereikbaarheid en de nabijheid van de grote steden.

Voor bewoners geldt hetzelfde. Veel bewoners van de steden in het Groene Hart werken daar niet, maar pendelen naar Den Haag, Utrecht, Amsterdam of de omgeving van Schiphol. Dat pendelen gebeurt voor een groot deel met de auto. Gouda heeft ondanks zijn uitstekende spoorverbindingen met drie van de vier grote steden op drie na de hoogste autodichtheid van het land met 0,58 auto per inwoner. Het is typisch een stad van mobiele, jonge tweeverdieners. Een stad als Lelystad is bijna net zo groot, maar heeft minder dan de helft van het aantal auto's van Gouda.

Langzamerhand raakt het gebied tussen Leiden en Alphen aan den Rijn bebouwd, evenals dat tussen Gouda en Alphen aan den Rijn. Het ministerie van verkeer en waterstaat wil, in tegenstelling tot dat van VROM, dit soort ontwikkelingen juist stimuleren. In de vorige maand gepubliceerde Visie op verstedelijking en mobiliteit nemen de ambtenaren van Jorritsma het terugdringen van het autoverkeer als leidraad. De komende decennia zullen er nog meer dan een miljoen huizen moeten worden gebouwd in Nederland. Maar, zegt V en W, bouw die dan waar al een goede spoorverbinding is. Dat is veel goedkoper en effectiever dan bouwen in nog niet ontsloten gebieden als de boog tussen Almere en Amersfoort. De 'zoekruimte' voor woningbouw na 2005 is in de V en W-visie te vinden langs de as Utrecht-Amsterdam, tussen Capelle aan den IJssel en Gouda, tussen Leiden en Alphen (alle drie in het Groene Hart), langs de Hofpleinlijn (niet meer in het Groene Hart) en in de bollenstreek.

De gemeenten in het Groene Hart willen stuk voor stuk meer woningen bouwen dan ze van het rijk mogen, al is het alleen maar om de kinderen van de eigen bewoners te huisvesten. In de grote plaatsen reiken de ambities verder en gaat het al snel om een verschil van duizenden woningen per gemeente in de komende twintig jaar. De meeste gemeenten vinden het restrictieve beleid van VROM veel te ver gaan. Anderzijds beroepen ze zich wel op de Groene-Hartgedachte om de hogesnelheidslijn - waarvan het voorkeurtracé oostelijk langs Zoetermeer dwars door het Groene Hart gaat - te weren.

Tot 2005 staat reeds precies vast waar de grote aantallen woningen moeten worden gebouwd: de zogeheten Vinex-locaties. Een deel daarvan ligt pal langs de rand van het Groene Hart, in gebied dat er ooit in lag. Maar voor de circa een half miljoen woningen die in het decennium daarna uit de grond moeten worden gestampt, is nog niets beslist. Als het aan minister De Boer (VROM) ligt, komen die niet in het Groene Hart. Of deze positie bestand is tegen een toenemende maatschappelijke druk zal de komende jaren blijken. Het zou niet voor het eerst zijn dat het Groene Hart van elastiek blijkt.

    • Dick van Eijk