Een buitenstaander die met de massa meeloopt

De Oostenrijkse schrijver Robert Menasse opent morgen de Frankfurter Buchmesse. In zijn toespraak zal hij op zijn Amsterdamse afkomst wijzen. Maar eerst moeten er nog wat weerstanden uit de weg worden geruimd.

Naar de openingsrede die Robert Menasse morgen zal houden op de Frankfurter Buchmesse is niet iedereen even benieuwd. Het gerucht gaat dat diverse Oostenrijkse auteurs van plan zijn de Buchmesse, met Oostenrijk als themaland, te boycotten, omdat Menasse een middelmatig schrijver en bovendien een intrigant zou zijn. “Dat is een laaghartige aanval op mijn persoon”, vindt de aanstaande feestredenaar. “In werkelijkheid is Gerhard Roth de enige schrijvende landgenoot die mij wil boycotten. Hij is boos op me omdat ik ooit een kritische analyse over zijn romans geschreven heb. Ik zou echt niet weten tegen wie of wat ik zou moeten intrigeren!”

En daarmee is dit vervelende onderwerp afgehandeld. Nu kunnen we het over dingen gaan hebben die er echt toe doen, over Menasses werk bijvoorbeeld. Zo middelmatig is dat niet, het is hooguit iets minder onredelijk dan dat van sommige andere Oostenrijkse radicalinski's. Ook zijn romans behoren tot de zogenaamde anti-Heimat-literatuur die het Alpenland zo'n dubieuze faam bezorgd heeft, maar Menasses kritiek wordt zelden bombastisch. Deze schrijver is eerder een scepticus dan een drammer en eerder een piekeraar dan een zedenprediker.

De protagonisten in zijn boeken zijn gespannen types over wie hun auteur met gevoel voor humor schrijft. Zelf straalt de 40-jarige Menasse ook zo'n geestige nervositeit of nerveuze geestigheid uit. In het Amsterdamse café waar ons gesprek plaatsvindt, bestelt hij bier en wijn alsof zijn leven ervan afhangt en hij rookt ontelbaar veel sigaretten. Ondertussen geniet hij van de geslaagde formuleringen die hij ter plekke verzint.

We praten over zijn dit jaar verschenen roman Schubumkehr. De hoofdpersoon van Schubumkehr heeft aan de universiteit van Sao Paulo gewerkt (net als Menasse), keert naar Oostenrijk terug, gaat bij zijn moeder in de provincie wonen en vervalt daar terug naar vroeger. Niets en niemand begrijpt hij - hij lijkt de ultieme belichaming van de Phänomenologie der Entgeisterung, een theorie die in Menasses werk een zeurende constante vormt.

“Het boek”, licht de schrijver toe, “laat zich lezen als een omgekeerde ontwikkelingsroman. In een klassieke ontwikkelingsroman doet een jongeman levenservaring op, ontwikkelt hij zijn individualiteit en vindt hij een zinvolle plaats in de maatschappij. Vandaag de dag echter begint men geniaal, maar dan krijgt men de ene frustratie na de andere te verduren, de ene verwachting na de andere wordt de grond in geslagen, het ene talent na het andere vernietigd - totdat alle kennis finaal is verdwenen. Alleen omdat niemand zichzelf en de dingen meer helder ziet schijnt onze maatschappij nog te functioneren.”

Met een fijn lachje om zijn lippen vervolgt hij: “Dat geldt evenzeer voor het literaire bedrijf. Het is goed mogelijk dat ik als ik heel erg in de versukkeling ben geraakt de Oostenrijkse staatsprijs voor literatuur krijg.” Bedoelt Menasse dat ook hij, een schrijver in volle bloei, zijn geestkracht aan het verliezen is? Dat ontkent hij maar hij voelt dat het bergafwaarts met hem gaat. “Op m'n twintigste hoefde ik maar met m'n vingers te knippen en ik had al een originele gedachte. Nu moet ik me vreselijk inspannen om ook maar iets te begrijpen.”

Komprechts, het fictieve Oostenrijkse provincieplaatsje in Schubumkehr, lijkt eveneens zo'n omgekeerde ontwikkeling door te maken. De plaatselijke politici doen hun best het dorp te moderniseren, maar hun initiatieven hebben rampzalige gevolgen. Hoe voortvarender ze te werk gaan, des te meer de bevolking terugvalt in bijgeloof en primitieve vreemdelingenhaat. “Die haat”, zegt Menasse, “stak weer zijn kop op in 1989, toen de grenzen met de Oostbloklanden opengingen. Men wist zich geen raad met alle Tsjechen, Hongaren en ex-Joegoslaven die Oostenrijk binnenkwamen. Maar voor mij is het probleem ook, heel in 't algemeen, dat er geen vooruitgang bestaat zonder gelijktijdige achteruitgang. De opening van het IJzeren Gordijn, de ineenstorting van het stalinistische systeem, dat was ongetwijfeld een vooruitgang. Maar de opleving van nationalisme, racisme en etnische zuiveringen - dat is een achteruitgang, een terugval in de ideeën van de vorige eeuw.”

De Verlichting, meent hij, heeft altijd de pretentie gehad irrationele angsten door redelijkheid te vervangen. “Maar kennelijk is er op dat punt iets misgegaan. Om te begrijpen wàt er is misgegaan, moet ik naar de begintijd van de Verlichting terug.” En dat begin zoekt hij in Amsterdam. “Op dit moment ben ik bezig aan een nieuw boek”, zegt hij, “over een Amsterdamse rabbi die Menasse heette, net als ik. Hij was de buurman en vriend van Rembrandt en de Talmoed-leraar van de jonge Spinoza. Zijn denkwereld is een eigenaardig mengsel van rede en bijgeloof. En de eerste Menasses in Wenen, zoveel is zeker, zijn uit Holland gekomen. In mijn toespraak zal ik daar op wijzen; dat is meteen een mooie revanche op Harry Mulisch die het vorig jaar in Frankfurt over zijn Oostenrijkse wortels had.”

Menasse wil binnenkort een tijdje in Amsterdam komen wonen om hier onderzoek te doen en te schrijven. Nu woont hij nog in Wenen maar hij is, zegt hij, geen honkvast mens. Hij gelooft dat hij van zijn grotendeels joodse ouders en voorouders een 'bannelingen-gevoel' heeft geërfd. Zijn vader was in de jaren vijftig een beroemde voetbalspeler, een Oostenrijkse held die in dat land toch een vreemde bleef. “Wij in onze familie hebben de ervaring opgedaan dat er heel irrationele breuken in een mensenleven kunnen plaatsvinden. Daardoor voel je je automatisch een buitenstaander, ook al loop je met de massa mee.” En hij beent het café uit, verdwijnt door de Van Baerlestraat en steekt schutterig als een verstrooide professor het Roelof Hartplein over. Ik moet denken aan een oude uitspraak van Robert Menasse over zichzelf: 'In plaats van een voetballer rechtsbuiten ben ik een filosoof linksbuiten.'

    • Anneriek de Jong