Duitsland wil morele autoriteit G7 zijn

WASHINGTON, 9 OKT. De G7 (groep van de zeven belangrijkste industrielanden) heeft zelden zo'n groot zelfvertrouwen uitgestraald als dezer dagen. De Amerikaanse minister van financiën, Robert Rubin, schreef afgelopen weekeinde het goede gesternte voor de wereldeconomie “voor een belangrijk deel” toe aan de monetaire en fiscale maatregelen die de G7-landen de afgelopen jaren hebben genomen.

De bijeenkomst van de ministers van financiën en bankpresidenten van de VS, Japan, Canada, Duitsland, Frankrijk, Engeland en Italië was volgens Rubin “volledig in de geest van de sterke werkrelatie die zich de laatste maanden heeft ontwikkeld.”

Er is inderdaad wel iets veranderd sinds de bijeenkomst van de G7-ministers een half jaar geleden in Washington. Zelfs enkele uren voor die vergadering werd nog openlijk ruzie gemaakt over de valutakoersen. De daarop uitgegeven gezamenlijke verklaring over samenwerking om de uit het lood geslagen koersverhoudingen op “ordelijke wijze” te redresseren werd dan ook niet erg serieus genomen.

Sindsdien is echter de dollar ten opzichte van de yen met 20 procent in waarde gestegen, mede dankzij goed getimede en gecoördineerde interventies van de Amerikaanse, Japanse en Duitse centrale banken. Tijdens de G7-top afgelopen juni in Halifax was de wens om de wisselkoersen meer in overeenstemming te brengen met de fundamentele economische waarden nog eens bevestigd.

Dat de geloofwaardigheid van de G7 de afgelopen maanden is gestegen bleek vorige week op de valutamarkten, toen handelaren op de ministersbijeenkomst vooruitliepen door een bodem onder de dollarkoers te leggen bij zo'n 100 yen. De jongste verklaring waarin de G7-ministers opnieuw uitspreken nauw te blijven samenwerken op de valutamarkten zal daarom waarschijnlijk op minder scepsis stuiten. Of centrale banken onmiddellijk zullen interveniëren om de dollarkoers verder omhoog te krijgen is echter de vraag. Presidenten van centrale banken plegen daarover vooraf natuurlijk niets te zeggen. Het succes van de interventies in de afgelopen maanden was juist te danken aan het verrassingseffect.

In de verklaring van de G7-bewindslieden wordt opnieuw benadrukt dat een gezond fiscaal en monetair beleid de basis moet leggen voor duurzame groei bij een geringe inflatie. De boodschap dat in sommmige landen op middellange termijn een verdere vermindering van het overheidstekort nodig is, is vooral gericht aan de VS, Frankrijk en Italië. De landen zijn het er over eens dat dit de beste garantie biedt voor evenwichtige wisselkoersverhoudingen.

De G7-bijeenkomst bracht overigens enig onderling Europees ongenoegen aan het licht. De Italiaanse premier (tevens minister van financiën), Lamerto Dini, merkte op dat de turbulentie rond de Franse franc mede een gevolg was van het recente besluit van de Europese ministers van financiën in Valencia om het tempo naar de EMU erin te houden. Dini is nog steeds de uitlatingen van zijn Duitse collega Theo Waigel over de Italiaanse tekortkomingen niet vergeten, die leidden tot grote onrust op de valutamarkten.

Van Duitse zijde klonken afgelopen weekeinde opnieuw enkele (kleine) terechtwijzigingen, dit maal uit de mond van Bundesbankpresident Hans Tietmeyer. De hoogste Duitse monetaire autoriteit (“wij hebben van anderen geen beoordelingscijfers nodig”) maakte duidelijk dat in de Europese landen die hun munt hebben zien depreciëren het inflatiegevaar niet is geweken. Al gaf hij tegelijkertijd verbale steun aan Parijs, door te verklaren dat voor een koersdaling van de franc geen goede reden was.

Tietmeyer en Waigel wierpen zich in Washington min of meer op als de 'morele' autoriteit binnen de G7. Zij ontlenen hun gezag aan de sterke Duitse prestaties op financieel-monetair terrein. De Bundesbankpresident wees erop dat de regeringen van de andere G7-landen in hun budgettaire en monetaire beleid nu meer naar de middellange termijn kijken en minder naar de eerstvolgende verkiezingen. “Dit is vooral door Duitsland de afgelopen jaren steeds in de discussie als belangrijk naar voren gebracht,” stelde hij erg tevreden vast.

Duitse bewindslieden zullen alleen al om historische redenen nooit spreken over leiderschap. De Amerikaanse minister Rubin, die de G7-bijeenkomst in Washington voorzat, doet dat bij voortduring. “Deze regering vervult een activistische rol als leider in de wereldeconomie,” zo zei hij dit weekeinde. Het navrante is dat president Clinton en minister Rubin in dit streven in toenemende mate worden tegengewerkt door het Amerikaanse Congres. Clinton sprak vorig jaar tijdens de G7-top in Napels over de 'architectuur van de 21-ste eeuw'. Minister Rubin sprak gisteren in het Interim Comité met evenveel verve over de 'rol van het IMF in de 21-ste eeuw'. Het waren inderdaad de Verenigde Staten die binnen de G7 het hardst hebben aangedrongen op de hervormingen waarover in het Interim Comité gisteren is gesproken.

Rubin moest echter in gebreke blijven toen het ging over de quotaverhoging die het IMF financieel in staat moet stellen in de volgende eeuw zijn taak naar behoren te vervullen. De voorzitter van het Interim Comité, de Belgische minister Maystadt, zei gisteren te hopen dat “voor eind volgend jaar” een besluit over de quotaverhoging kan worden genomen. Die formulering was met zorg gekozen. Dan zijn de Amerikaanse presidentsverkiezingen voorbij en durft Clinton (of zijn opvolger) het Congres wel te trotseren. Voordien verwacht men bij het IMF kennelijk weinig meer van Washington.

    • Hans Buddingh'