Bach van Sokolov meer dan de noten

Concert: Grigory Sokolov, piano. Programma: J.S. Bach: 8 preludes uit Das wohltemperierte Klavier; R. Schumann: Kreisleriana. Gehoord: 8/10 Concertgebouw Amsterdam.

Om de historische uitvoeringspraktijk bekommert de Russische meesterpianist Grigory Sokolov zich blijkbaar niet. De vraag welk toetsinstrument Johann Sebastian Bach precies in gedachten had toen hij zijn 48 preludes en fuga's uit Das wohltemperierte Klavier neerschreef, lijkt aan Sokolov nauwelijks besteed. In het Concertgebouw speelde hij op de moderne vleugel een selectie uit het tweede boek van Das wohltemperierte Klavier die soms speels en ontwapenend was, maar bovenal overtuigend muzikantesk.

Zoals Glenn Gould met zijn Goldberg-variaties ooit alle goed bedoelde klavecimbel-interpretaties deed verbleken, zo laat Sokolov overtuigend de vitaliteit van deze muziek prevaleren boven het gortdroge academisme. Helaas beperkte Sokolov zich zondag tijdens zijn recital, waarmee de Serie Meesterpianisten dit seizoen werd geopend, tot het vertolken van slechts acht opeenvolgende preludes en fuga's.

Bij het eerste koppel (nummer 9, E-groot) mocht de luisteraar nog even de kat uit de boom te kijken, maar het stevige tempo van de fuga in e-klein (nr. 10) bleek de voorbode te zijn van een dwingende Bach-vertolking. Met zijn interpretatie van de prelude en fuga in f-klein (nr. 12) zal Sokolov zelfs de halsstarrigste oude-muziekfanaat van zijn gelijk overtuigd hebben. Zulke fijnzinnige contrasten tussen de gedragen en de puntige motieven uit deze prelude zijn op een klavecimbel onmogelijk te realiseren. En het nerveuze uptempo, dat van de prelude in G-groot haast een toccata maakte, om uiteindelijk te cumuleren in de bijbehorende fuga, was ronduit verbluffend.

Fuga's worden onder de handen van Sokolov raderwerken met snel roterende wieltjes, waarvan de tandjes desondanks alle afzonderlijk zichtbaar blijven. Dat er soms een misslag (Fis-groot-fuga) te beluisteren valt, doet aan de betovering van Sokolovs spel weinig af; het zegt veeleer iets over de risico's die hij durft te nemen om zijn recital een allesbehalve routinematig karakter te verlenen.

Sokolov beschouwt zijn partituren als richtlijn en niet als dogma. Dat geldt voor de noten van Bach evenzeer als voor die van Robert Schumann. In Das wohltemperierte Klavier projecteert de pianist een geschakeerd patroon van sterktegraden die in de noten nauwelijks zijn te vinden, maar louter muzikaal zijn gemotiveerd. In Schumanns Kreisleriana leek Sokolov zich daarentegen doelbewust te distantiëren van de dynamische aanduidingen om zijn eigen spanningsboog niet te onderbreken. En ook zijn lezing van de tempi bleek een ietwat eigenzinnige. Het 'Sehr aufgeregte' derde deel voorzag Sokolov van een bedachtzamer snelheid. Deel zeven werd in een dermate hoog tempo gespeeld, dat dit negatieve gevolgen had voor de duidelijkheid van de textuur.

Maar ook deze eigengereidheid hoort bij Sokolov. De magie van Sokolovs spel ligt verscholen in de combinatie van zijn technische capaciteiten en deze onbevangenheid ten opzichte van dynamiek en tempo, waardoor hij de tonen laat dansen en de maten laat ademen.

    • Emile Wennekes