'Toen wij nog in berevellen reden, was hier al een wielercultuur'

De stratenmaker was een grappenmaker op de fiets. Maar GERRIE KNETEMANN (44) was ook de wereldkampioen die stond te janken op het erepodium. Als toegewijd bondscoach van de Nederlandse wegrenners, die morgen strijden om de wereldtitel, heeft hij zich geërgerd aan het geringe animo voor het WK. “Colombia heeft een fantastische wielercultuur. Neem van mij aan dat er morgen een paar miljoen mensen langs de weg staan.”

Hij kijkt naar buiten en kan zijn ogen niet geloven. Het natuurschoon van de Colombiaanse provincie Boyaca brengt Gerrie Knetemann in hogere sferen. “Ik ben een bevoorrecht mens. Dit had Maarten den Bakker moeten zien. Die weet niet wat hij mist.” Den Bakker is de belichaming van de weifelende houding van de Nederlandse wielertop. De meeste renners stonden niet te springen om naar Colombia te gaan. Tot verbazing van de bondscoach.

Van de twaalf toegestane coureurs verschijnen morgen slechts zeven Nederlandse renners aan de start bij de individuele wegwedstrijd. Erik Breukink is de beoogde kopman, Erik Dekker krijgt een vrije rol en de andere vijf moeten zich als knecht waarmaken. Knetemann verwacht een loodzware wedstrijd. “Ik heb me een beetje verkeken op het parcours. Toen ik hier in december was, lag er nog niet eens asfalt en leek het wel mee te vallen. Maar ik knijp al in mijn handen als we met twee jongens aan de streep komen. En dan ben ik geen negativo maar een realisto.”

De bondscoach zorgt deze week voor een ontspannen sfeer in het rennerskwartier. Meestal is het doodstil aan de ontbijttafel in Paipa, tot Knetemann zijn boterham gaat smeren. De renners zijn vol lof over de ouderwetse grappenmaker. Zelf weet hij zijn inbreng te relativeren. “Ik doe het niet om leuk gevonden te worden. Ik wil de stress uit de ploeg halen. Het duurt allemaal zo verschrikkelijk lang. Je zit steeds naar dezelfde berg te kijken vanuit je hotelkamer.

“Als bondscoach is het je taak om sfeer te scheppen. En ik heb nu eenmaal te maken met een serieuze ploeg. De huidige generatie bestaat meer uit denkers dan uit doeners. En die kun je wel een soort kadaverdiscipline bijbrengen, dat ze in hun broek schijten van de angst, maar zo werkt het niet. Je staat toch een beetje op voet van gelijkheid.”

“Men verslijt mij vaak voor een lolbroek, maar niks is minder waar. Ik ben altijd heel serieus met mijn vak bezig geweest. Ik behoor tot een type mens dat de wereld wil verbazen. Ik geloof in de kracht van de mens. Ik zat als kind een noordpool-reis na te spelen. Of de zuidpool, weet ik veel waar die Amundsen allemaal is geweest. Het onmogelijke willen presteren, dat was de drijfveer. In het leven is niks erger dan dobberen. Laat mij dan maar een keertje koppie onder gaan, als ik maar wel weer boven water kom. Dan voel je tenminste dat je leeft.”

En geleefd heeft hij. Als stratenmaker lag hij vanaf zijn vijftiende jaar letterlijk op zijn knieën. Na het werk fietste hij zich urenlang in het zweet. Als amateur vertolkte hij een bescheiden rol, maar als professional behoorde hij bij de internationale subtop. Met als hoogtepunt de wereldtitel in 1978 op de Nürburgring. Knetemann was geen groot talent, hij toonde wel veel karakter op de fiets. “Ik was er eentje die zichzelf aanstak.”

“Als je tegenwoordig een renner niet aansteekt, gaat hij echt niet branden. Je moet er gewoon een vuurtje bijhouden. Wij hadden een generatie die voor zichzelf opkwam. Vroeger werd er niet geouwehoerd, dan werd er gewoon gereden. En zonder nu voor een ouwe lul uitgemaakt te willen worden, maar je moet als ploegleider tegenwoordig heel omzichtig te werk gaan. Soms moet je wel eens het puntje van je tong afsnijden. Je kunt er niet alles uitflappen.”

Hij noemt zijn oude strijdmakker Jan Raas als sprekend voorbeeld van een pure prof. “Die stak zich als wielrenner zelf aan. Zo is-ie als ploegleider ook. Hij denkt dat alle renners zo zijn, maar dat is gewoon niet waar. Raas vist al vijf jaar achter het net. Hij is gewoon te weinig bij de wedstrijden. Als je een manager bent, moet je ook aandacht schenken aan je werknemers. Of je dat nu met 'godverdomme' of met een schouderkloppie doet, maakt natuurlijk niks uit. Een mens wil aandacht hebben, dus een renner ook.

“Als wij met oorlogskleuren beschilderd aan de start stonden, stond er wel een ploeg. En vergeet niet dat wij in de gouden tijd altijd Post achter de hand hadden. Die man werd vaak verguisd - ook door mij - maar hij hield wel iedereen wakker. Post deed elke week zijn rondje langs de velden. Als bondscoach doe ik hetzelfde. Telefoontjes zeggen me weinig. Je moet een renner in de ogen kunnen kijken. Dan pas heb je communicatie.”

“De nieuwe generatie renners is heel zelfstandig, misschien wel zelfstandiger en intelligenter dan de mijne. Maar ik mis de bezieling. Echt het onderste uit de kan halen, dat signaleer ik minder. Ik kwam uit een generatie waarvan de ouders Nederland hebben helpen opbouwen. Mijn vader was stukadoor. Hij kwam elke dag als een geest naar huis. Terwijl mijn eigen kinderen hun pappa in een dure auto zien rondrijden en de hele dag in zijn kantoortje zien zitten. Dat is het verschil.

“De ethiek van werk is een stuk minder dan toen. Negen van de tien kinderen weten niet wat ze later willen worden. Ik wist het precies. Van mijn vaders kant waren ze allemaal stratenmaker. Ik was een jaar of veertien en toen ben ik die gasten bij mij in de buurt gaan helpen. Ik mocht een steen slaan, met zand schuiven. Ik heb de hele vakantie doorgewerkt en kreeg toen een rijksdaalder. Fantastisch.

“Ik vind het nog altijd een schitterend vak. Het is op een bepaalde manier creatief. Je komt in een troep en als je weggaat is het opgeknapt. Er zat ook een bepaald soort competitie in. Je werd per meter uitbetaald. Ik beschouwde het stratenmaken als training voor het wielrennen. Stratenmaken was mijn anker, mijn vangnet. Als ik iets zwaars moest tillen, dan was het goed voor mijn beenspieren. Als ik een handkar moest duwen, gooide ik er extra zware stenen in. Of het geholpen heeft, kun je nooit bewijzen. Als je maar denkt dat iets helpt, dan helpt het wel.”

Na zijn actieve wielerloopbaan kreeg hij een adviserende rol bij de KNWU. Sinds 1991 is hij actief als bondscoach van de beroepsrenners. “Voor het geld hoef ik het niet te doen. Ik heb het geluk gehad dat ik zeer goed mijn brood heb kunnen verdienen. Dingetjes erbij gedaan. Je hoort mij daarover ook niet kreunen. Ik heb een redelijk appeltje voor de dorst maar tot het eind der dagen de viool spelen, dat gaat zelfs Knetemann niet redden. Ik heb daar geen moeite mee. Je bent nooit klaar in het leven. Ook al ben je schathemeltje rijk, je zal toch je dag moeten vullen.

“Het belangrijkste is dat je je zelf niet opschuilt. Je moet je smoel laten zien in de wereld. Ik houd heel veel spreekbeurten. Daar is mijn schoorsteen riant van gaan roken. Motivatiespeeches noemen ze dat. Ik vergelijk de wielermaatschappij met de gewone maatschappij. Het gevecht is net zo hectisch. De doeners worden gelukkig nog steeds beloond. Je had vroeger ook renners die voor de zekerheid kozen, maar welke zekerheid hebben ze uiteindelijk gekregen?”

Door zijn contacten in de sportwereld kwam hij anderhalf jaar geleden in aanraking met de pannekoeken-branche. Knetemann is directeur van vijf restaurants. De zaken lopen uitstekend en bieden hem nog voldoende vrije tijd om her en der zijn neus te laten zien. Toen de bond hem benaderde voor het bondscoachschap, hoefde de wielerfanaat niet lang na te denken. “Ik heb toch aardig voor mekaar. Mijn ene been staat in het bedrijfsleven, mijn andere been staat nog in de wielrennerij. Je moet toch je gezicht laten zien. Anders zijn ze je veel te gauw vergeten. En daar voel ik niks voor.”

Als bondscoach selecteert hij Nederlandse renners uit verschillende profploegen. Hij benadrukt bij herhaling geheel onafhankelijk te werk te gaan. Omgekeerd verwacht hij een volwassen benadering van de ploegleiders. “Ik wil niet op hun plaats gaan zitten, maar het is natuurlijk vreemd dat er bij de diverse ploegleiders zo weinig animo is om de renners naar het WK te sturen. Het stemt toch tot nadenken dat mensen niet naar een wereldkampioenschap willen. Kijk eens naar buiten en je ziet wat ze allemaal gemist hebben. Een geweldige ambiance. De mensen hebben woensdag een soort Elfstedentocht beleefd. Rijden door zo'n mensenmassa moet toch een kick geven.”

“Het enige nadeel is het rijden op hoogte. Als je hier wilt presteren, zijn er twee methoden om dat te doen. Je kunt voor zekerheid kiezen en een maand lang hoogtestage houden. Zoals de meesten van onze renners hebben gedaan in Colorado. Maar zij moeten zich realiseren dat ze een maand lang geen wedstrijden hebben gereden. De andere methode is: op zeeniveau wedstrijden rijden en heel laat 'invliegen'. Een paar dagen voor de finale. Niet een week van tevoren, want na vier dagen schiet je in een wak. Nee, een paar dagen voor de koers en dan maar zien waar het schip strandt. Dat hebben Tom Cordes en Michael Boogert gedaan. Ik ben vreselijk benieuwd hoe de onderlinge verschillen uitpakken.”

De jonge Knetemann die op school nooit erg zijn best deed, is veranderd in een serieuze veertiger. Als renner was het hoesten, proesten en weer opnieuw beginnen. Als bondscoach heeft hij veel interesse voor de wetenschappelijke benadering van de wielersport. “Ik heb een hele databank met informatie. Een heel pak documentatie gelezen. Alle artikelen uit het voormalige Oostblok bestudeerd. Je kunt wel stellen dat we aardig beslagen ten ijs komen.”

“Daarom kan ik me niet voorstellen dat iemand niet naar een WK wil. Ook al is het Colombia. Je gaat al met een bepaald vooroordeel naar dat land toe. Je ziet overal spoken. Het lijkt een beetje op het Spanje van twintig jaar geleden. Overal staan militairen in de aanslag. Maar ik kan er goed mee leven. Het geeft toch een veilig gevoel als je een beetje beschermd rondloopt.”

“Je hebt bij de tijdrit kunnen zien hoe wielerminnend Colombia is. Toen wij in de jaren vijftig bij wijze van spreken nog in berevellen reden, hadden ze hier al een hoge wielercultuur. Vergist u zich niet in Colombia, alstublieft! Neem van mij aan dat er morgen een paar miljoen mensen langs de weg staan. Mensen die drie dagen lopen naar het parcours om die wedstrijd te zien. En reken maar dat die twaalf Colombiaanse renners er vanaf begin af aan flink zullen invliegen. Maar voorlopig houd ik het op Indurain of Bugno.”

Met medewerking van Guido de Vries.

    • Jaap Bloembergen