Singaporese vakbond verkleint afstand tussen rijk en arm

SINGAPORE, 7 OKT. Vanuit de suite kijk je uit over het zwembad, er is een bowlingbaan voor een gezellig avondje met de familie, je kunt er tennissen, squashen en basketballen en voor de fervente gokkers is er de air-conditioned computer games room. Dit is geen foldertaal voor een vijf-sterren hotel, maar heeft betrekking op het Pasir Ris Resort in Singapore, eigendom van Singapores nationale vakbond, de National Trades Union Congress (NTUC).

Wie het ontspanningsoord in het noordoosten van Singapore binnenwandelt, waant zich in een Aziatische vestiging van Club Méditerranée. Leden van de NTUC kunnen hier voor een habbekrats appartementen huren en gebruikmaken van alle faciliteiten voor een paar dagen vakantie in eigen land. Het resort biedt zelfs bruidsparen een onvergetelijke honeymoon tegen een zeer gereduceerd tarief.

“De vakbond heeft dit resort ontwikkeld omdat hij daarmee het welzijn van zijn leden kan vergroten. De NTUC biedt leden op deze manier dezelfde mogelijkheden als leden van privé-clubs in Singapore. Maar het verschil is dat je hier geen 40.000 dollar hoeft te betalen om lid te worden”, legt Benny Lee, manager van het resort uit. Pasir Ris staat zo symbool voor een van de hoofdlijnen uit het beleid van de NTUC: het verkleinen van het gat tussen de rijken en de armen in het land. Het is, zo menen de beleidsmakers, een van de manieren om de kans op sociale onrust te verkleinen.

Door dergelijk preventief beleid kent Singapore een relatief rustige vakbondsgeschiedenis. In de meeste bedrijven of sectoren hebben werknemers zich verenigd in een eigen bond die weer deel uitmaakt van de NTUC, het centrale beleidsbepalende orgaan. De omvang van de bonden is overigens vrij beperkt: de in totaal 217.000 NTUC-leden vormen samen amper 12 procent van Singapores werkende deel van de bevolking. Toch laten de bonden geregeld van zich horen. De jaarlijkse onderhandelingen over lonen en arbeidsomstandigheden kunnen, zo vertelt een directeur van een Duits opslagbedrijf, “stevig” zijn, “maar het niveau van de lonen is vaak al van dien aard dat we er zonder al te veel toestanden uitkomen.”

Pag.16: Harmonieuze relatie tussen sociale partners staat voorop

Stakingen en demonstraties kwamen zelden voor sinds Singapore zich in 1965 afscheidde van Maleisië waarvan het tot dan toe een provincie was geweest. In de jaren daarvoor waren arbeidsconflicten aan de orde van de dag, met als climax 1961, toen er 116 stakingen in Singapore waren.

Toen Lee Kwam Yew, Singapores eerste premier die het land tot 1990 bestuurde en nu als senior-minister nog steeds veel invloed op het beleid heeft, begin jaren zestig zijn plannen ontvouwde voor 'zijn' stadstaat, stonden harmonieuze relaties in de industrie, tussen werknemers en werkgevers al centraal. Dat zou, meende Lee, zorgen voor hogere produktiviteit en economische groei. En dat waren twee belangrijke factoren voor Singapore, dat zich als klein land (in omvang vergelijkbaar met de provincie Utrecht) in Zuid-Oost Azië moest zien te onderscheiden om Westerse investeerders te lokken.

Het duurde een paar jaar voordat stabiliteit in Singapores industrie norm was. “Binnen de NTUC wordt de oprichting in 1972 van de National Wages Council, een overlegorgaan tussen werkgevers, werknemers en de regering over lonen en werkomstandigheden, als de grote stap voorwaarts gezien. Dat was voor ons het signaal dat het systeem werkte”, zegt Ee Boon Lee, woordvoerder van de NTUC.

De NTUC onderhoudt dezer dagen nauwe banden met de werkgeversorganisaties en, nog belangrijker, de bond staat in veel opzichten op één lijn met de regeringspartij People's Action Party (PAP). “Die driehoeksverhouding is het geheim geweest voor de sociale en economische ontwikkeling die dit land de afgelopen jaren heeft doorgemaakt”, vertelt Ee Boon Lee. Het bewijs voor de goede verhoudingen kwam in 1985, toen Singapore na jaren van onafgebroken economische groei onverwacht werd getroffen door een recessie. In goed overleg besloten de drie partijen de loonsverhoging over te slaan om bedrijven te ontzien. Het hielp: de economie kwam in sneltreinvaart uit het dal en sindsdien is er alweer jaren achtereen sprake van groei.

De situatie rondom de vakbonden in Singapore verschilt met die in voormalig moederland Maleisië. De 19 miljoen Maleisiërs, van wie 38 procent tot de beroepsbevolking behoort, kennen veel wettelijke beperkingen voor het aangaan van verbonden en werknemersverenigingen. Hoofdoorzaak is een wet die stamt uit de tijd dat Singapore nog deel uitmaakte van Maleisië. Maleisiës Trade Unions Act van 1959 legt uitgebreide restricties op aan werknemers om zich te organiseren in een vakbond. “Dit staat in schril contrast tot de situatie in Singapore. In Maleisië worden vakbonden monddood gemaakt en de regering lijkt voorlopig weinig aan die situatie te willen veranderen”, vertelt Pathma Tamby Dorai, directeur voor Azië-Pacific van de in Singapore gevestigde International Confederation of Free Trade Unions (ICFTU).

Ter illustratie wijst zij op de situatie in de Maleisische elektronica-industrie, een van de bloeiendste sectoren van het land. Onder de huidige wetgeving is het de nationale bond van elektronicapersoneel verboden zich breder dan per bedrijf te organiseren. “Die situatie bestaat nu al twintig jaar. Daardoor kunnen zo'n 140.000 mensen die werken voor Japanse, Taiwanese, Amerikaanse en Europese elektronicabedrijven zich nooit als één blok opstellen tijdens loononderhandelingen”, zegt Pathma Tamby Dorai. Ook het recht om te staken is door de wet zeer beperkt.

Voorlopig zal, zo verwacht men, de invloed van de Maleisische werknemers nog wel even beperkt blijven. De regering van premier Mohamad Mahathir moedigt het slechts aan vakbonden te organiseren binnen het bedrijf, maar groter dan dat mag het beslist niet worden.

De economische implicaties van de restricties die de Maleisische regering aan vakbonden oplegt zijn vooralsnog moeilijk te ontdekken. Terwijl Singapore kan wijzen op de voorspoedige economische gevolgen van de constructieve samenwerking tussen regering, werkgevers en vakbonden, wijst ook Mahathir trots op de vooruitgang van zijn economie. Al zeven jaar achtereen groeit de economie van het land met ruim acht procent per jaar. “De vraag is alleen wat er gebeurt als Maleisiës economie plotseling inzakt. Dan kan de situatie rond de vakbonden wel eens in één klap tot uitbarsting komen”, vreest Pathma Tamby Dorai.

    • Max Christern