Profvoetballers zijn geen handelswaar

Waar de topvoetballer Arnold Mühren in 1980 niet in slaagde, lijkt zijn veel minder gelauwerde college Jean-Marc Bosman nu wel succes te gaan krijgen: het transfersysteem van de beroepsvoetballerij staat op de helling - en dat zal Nederland weten ook.

Vrijwel direct nadat bekend was dat de advocaat-generaal Lenz aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaak-Bosman had geadviseerd dat het transfersysteem moest worden afgeschaft, struikelden de lobbyisten van beide kampen over elkaar om uit te leggen hoe bevrijdend respectievelijk desastreus de beslissing zou zijn voor de profvoetballerij.

Vooral de pro-transfersysteem-adepten proberen nu met allerlei oneigenlijke argumenten de door de advocaat-generaal geslagen bres te dichten. Zo ook directeur Gerard Slager van de Federatie van Betaald Voetbal Organisaties op de opiniepagina van NRC Handelsblad (26 september). En meer onafhankelijke deskundigen maken zich kennelijk zorgen over “averechtse effecten van de afschaffing van het systeem” (prof.mr. Heiko van Staveren in NRC Handelsblad van 28 september).

Het is goed om de oneigenlijke argumenten aan de kaak te stellen en te schrappen voordat de ordinaire lobby een degelijke discussie al te zeer vertroebelt.

De advocaat-generaal vindt dat het transfersysteem in strijd is met het recht op vrij verkeer op de arbeidsmarkt. Daar heeft hij denk ik gelijk in, en niet alleen met een beroep op het Europese recht: sinds 1986 bepaalt artikel 19 lid 3 uit onze eigen Grondwet dat ieder het recht heeft op vrijelijk gekozen arbeid. Een voetballer mag in die vrije arbeidskeuze niet belemmerd worden doordat zijn oude werkgever een vergoeding vraagt aan zijn nieuwe werkgever. Dat is alleen anders wanneer er sprake is van een door de wet toegestane beperking - en die is er op dit moment niet.

Maar, zo redeneren de werkgevers, dan leggen wij de voetballers toch lange termijn contracten op? Dat zal niet helpen: de voetballer die zich tussentijds zal kunnen verbeteren zal net als werknemers in andere sectoren bij de rechter een willig oor vinden voor zijn verzoek om het contract voortijdig te ontbinden. Voor toekenning van een vergoeding ten laste van de werknemer - en dus ten gunste van de club - bestaat in zo'n geval voor de rechter geen aanleiding. En de nieuwe club is bij de rechtszaak over het beëindigingsverzoek geen partij.

Maar dan, zegt Van Staveren, leggen de werkgevers de werknemer toch een concurrentiebeding op? Zodat het de voetballer verboden wordt voor een concurrerende club te voetballen? Ook dat is zinloos. Een voetballer doet alleen persoonlijke ervaring en vakkennis op bij zijn voetbalclub - en dat zijn zaken die volgens de geldende rechtspraak niet door een concurrentieverbod mogen worden getroffen, wanneer de werknemer door dat verbod de kans wordt ontnomen zijn positie te verbeteren.

Maar ook de werknemer die zich verder wil ontplooien, zoals Clarence Seedorf die afgelopen zomer te kennen gaf “toe te zijn aan een nieuwe uitdaging”, mag volgens gangbare opvattingen niet door een concurrentiebeding worden tegengehouden. (Overigens: wanneer ik de advocaat was van een topclub die het grote talent van een eerste-divisieclub wil overnemen, zou ik er honend op kunnen wijzen dat het concurrentieverbod toepassing mist, omdat er geen sprake van is dat die twee clubs in elkaars vaarwater zitten.)

Ondertussen klaagt Slager, names de voetbalwerkgevers; dat afschaffen van het systeem “de doodsteek betekent voor die clubs die veel investeren in scouting en opleiding en die daaraan mede hun bestaan danken”. Ook dat is een oneigenlijk argument: het instandhouden van het opleidingsinstituut mag nooit een reden zijn om de leerling in zijn vrijheid te belemmeren. Men stelle zich de universiteit voor die aan de overstap van de AIO (assistent in opleiding) naar het bedrijfsleven een transfersom verbindt! Daarbij vergeten de voetbalwerkgevers dat, zoals in de Tweede Kamer al in 1906 werd opgemerkt bij de behandeling van de wet op de arbeidsovereenkomst, “het grootste gedeelte van het loon dat een jeugdig persoon zich bedingt juist de kennis is die hij zal opdoen”.

Als clubs onderling vinden dat zij met elkaar moeten afrekenen omdat zij elkaars bestaan niet in gevaar willen brengen, dan is dat hun zaak. Het geeft wel te denken over de mores in de bedrijfstak wanneer men over de hoofden van de werknemers heen de zwakke broeders in leven wil houden.

Voetballers zijn net als andere werknemers geen handelswaar. En wie zich niet reeds gelukkig prijst dat hij Johan Cruijff, Marco van Basten, Ruud Gullit, Dennis Bergkamp en al die anderen heeft zien voetballen toen zij nog een onbevangen talent en topper in wording waren, houdt niet van voetbal.