Premier Çillers lot in handen stakende staatsarbeiders

ANKARA, 7 OKT. De politieke toekomst van de Turkse premier Tansu Çiller is in handen van de 700.000 arbeiders in dienst van de noodlijdende staatsbedrijven, die nu al ruim twee weken in staking zijn voor hogere lonen en betere arbeidsvoorwaarden.

Hun acties hebben in belangrijke mate bijgedragen aan de val op 20 september van de bijna vier jaar oude Turkse coalitieregering van de conservatieve Partij van het Juiste Pad (PJP) van Çiller en de sociaal-democratische Republikeinse Volkspartij. De premier heeft inmiddels met steun van de ultranationalistische Partij van Nationale Actie (PNA) en de Democratisch Linkse Partij (LDP) een minderheidsregering gevormd, maar die samenwerking valt en staat opnieuw met een oplossing van de stakingscrisis. Beide partijen eisen dat ze zo gauw mogelijk tot een vergelijk komt met de vakbonden.

De premier verkeert hierdoor in een netelig pakket. Geeft ze de werknemers van de staatsbedrijven hogere loonsverhogingen dan de 5 tot 6 procent waartoe het Internationale Monetaire Fonds (IMF) haar heeft gemachtigd, dan haalt ze zich de gram op de hals van de internationale financieringsorganisatie, die Turkije momenteel ondersteunt met een bijstandskrediet. Maar wil ze politiek overleven dan zal ze toch voor een deel tegemoet moeten komen aan de eisen van de vakbonden, die zich daarbij baseren op de inflatie die de 90 procent op jaarbasis inmiddels is gepasseerd.

Çiller lijkt voorlopig voor een tussenoplossing te kiezen: ze komt de stakende arbeiders een eindje tegemoet - hun hele wensenpakket kost 2.4 miljard dollar - om zo tegelijkertijd de irritatie van het IMF tot een minimuum te beperken. De grootste vakbondsfederatie Türk-Is heeft op haar beurt de landelijke protestdag die voor vandaag op het programma stond afgelast. Maar om de druk op de ketel te blijven houden, gaan de stakingen bij de staatsbedrijven gewoon door. De daardoor veroorzaakte verliezen worden op 600 miljoen dollar per maand geraamd, de helft daarvan komt voor rekening van de export.

Vooralsnog zit er weinig schot in de onderhandelingen. Vertegenwoordigers van Türk-Is en de regering hebben in de afgelopen week drie keer rond de tafel gezeten, maar dat heeft niet geleid tot een doorbraak. Donderdagavond bleek opnieuw dat het aanbod van de regering om alle salarissen tot een minimmum van 10 miljoen Turkse lira's (330 gulden) op te trekken, gekoppeld aan een aanvullende maandelijkse verhoging van 5.5 miljoen Turkse lira's (183 gulden) volgend jaar voor de hogere salarisschalen, te weinig is voor Türk-Is. Voorzitter Bayram Meral zei na afloop dat er overeenstemming is voor de eerste zes maanden van dit jaar - de onderhandelingen slepen zich al sinds januari voort - maar dat men een loonsverhoging over de resterende zes maanden van het jaar eist die in overeenstemming is met het inflatiepeil. De besprekingen worden morgen voortgezet.

Statistieken wijzen uit dat de arbeiders in Turkije slechts aan hun trekken komen als er verkiezingen worden gehouden. De regering koopt als het ware hun stem. Zo ging het inkomen van de arbeiders tussen 1980 en 1983 fors naar beneden. Dat waren de jaren volgend op de militaire coup in september 1980. Ook de komst van een nieuwe burgerregering leverde de werknemers vooralsnog weinig op. Tussen 1983 en 1988 bleef hun salarisverhoging ver achter bij de chronisch te hoge inflatie in Turkije. Pas rond de parlementsverkiezingen van 1987 werd hun inkomen met 40.9 procent opgetrokken. Maar 1988 bleek opnieuw een slecht jaar: 49.4 procent loonsverhoging, terwijl de inflatie 72.2 procent bedroeg. De algemene verkiezingen in 1989 brachten betere tijden: 135.2 procent inkomensverbetering met een inflatie van 78.3 procent. Die trend zette zich in 1990 voort en in 1991 stegen de lonen met een record van 141.9 procent. In 1992 en 1993 bleek de regering opnieuw minder scheutig, terwijl in 1994 een financiële crisis voor een belangrijk deel werd verhaald op de mensen in loondienst.

    • Froukje Santing