Opinie

    • Youp van ’t Hek

Piep

Binnenpret. Dat is het. Innerlijk gegniffel. Steeds een kleine slappe lach als ik er weer aan denk. Een huppel bij het middenrif. En behalve met Hans, mijn manager, kan ik de lol met niemand delen. Af en toe bellen wij elkaar om het er nog even over te hebben. Ik heb er de hele week al last van.

Ik heb het gevoel vaker gehad. Het heeft te maken met dingen die niet bij elkaar passen. En daar moet ik om lachen. Ik had vroeger een vriend en die was twee meter hoog, drie meter breed en had een gigantische baard. Daarbij dronk hij minimaal een krat Grolsch per dag. Op een nacht zat ik bij hem thuis en opeens zei zijn vrouw: 'Piep, neem wat zoutjes mee uit de keuken.' Het woord 'piep' heeft weken door mijn hoofd gedanst. Die grote kolos, die reus, met die zware bassende stem en die niet te lessen dorst, de man van zeker honderdtien kilo, werd thuis door zijn vrouw 'piep' genoemd. Nog steeds springen de tranen in mijn ogen als ik er aan denk.

En sinds vorige week heb ik weer last van zo'n chronische grinnik.

Ik zal het uitleggen. Vorige week had ik een stevige aanvaring met het blaadje Nieuwe Revu, die een afspraak met mij hadden geschonden. Ik ben een oude straatvechter, klom in de telefoon, de fax en een aantal andere kanalen om dat redactie-gajes daar helemaal verrot te schelden. De uitgever en de hoofdredacteur voelden hoe fout ze zaten en stelden voor om met mij te komen praten. De ontmoeting zou plaatsvinden op mijn kantoor. En toen gebeurde het. Ik zie dat leesportefeuillevulsel Nieuwe Revu regelmatig liggen, blader het wel eens door, lees het zelfs wel eens en zie dan de meest heftige plaatjes. Elkaar klaar likkende vrouwen op een Rotterdamse houseparty, extreme popsterren met de stevigste piercings, rellende leernichten die een opblaaspop bevredigen, het kan de redactie niet extreem genoeg gaan. Dus toen ik in mijn kantoor op de hoofdredacteur van het blaadje zat te wachten zag ik in gedachten een Harley, een leren jack, een snel koffertje, een grote bos haar, een niet minder grote bek en hij zou mij wel eens even vertellen hoe de postmoderne wereld van sex & drugs & rock & roll in elkaar stak, maar wat gebeurt?

Er loopt al een tijdje een schriel mannetje met een baardje heen en weer voor mijn kantoor en ik zeg tegen Hans: 'Ik hoop niet dat deze jehova-getuige de uitgever is.' Even later belt hij aan. Het blijkt niet de uitgever, maar de hoofdredacteur van de Nieuwe Revu zelf te zijn en ik moet mijn kop toch echt even drie keer schudden voor gebruik. Ik sta hier oog in oog met de boekhouder van de bejaardenpartij van Jet Nijpels, de onderwijsdeskundige van het CDA, een broer van Heerma, het hoofd automatisering van de Knorr-fabrieken, maar niet met de hoofdredacteur van het blad waarin elke week iedereen op de meest extreme wijze met elkaar in de kettingen wurgsex hangt te bedrijven.

Later volgt de uitgever en die ziet er gewoon uit als een uitgever, maar ik blijf gefascineerd naar de hoofdredacteur kijken. Keurig beschaafd wezeltje, vertelt dat hij geen rijbewijs heeft, terwijl ik hem er onderhand van verdenk dat hij regelmatig een echt boek leest. Ik vind hem zelfs aardig, sympathiek en heb de neiging om naar een andere ruimte te lopen en zachtjes een vriend, die hem persoonlijk kent, te bellen om te vragen hoe hij eruit ziet. Misschien word ik wel voor de tweede keer belazerd en is dit weer zo'n trucje van die ex-katholieken van de VNU. Dat ze als geintje de magazijnchef en het hoofd van de kantine op me af hebben gestuurd.

Het gesprek loopt niet goed af. Zij zeggen dat de fout per ongeluk gemaakt is en ik geloof ze niet. Punt. We gaan beschaafd uit elkaar, maar daarna begint het. Ik krijg op de vreemdste momenten de slappe lach en zie dat iele boekhoudertje thuis bij zijn vrouw aan de katrollen hangen, ik zie hem vuistfuckend in een dark room van een nichtenkit in de Warmoesstraat of gejonast worden op een feest vol travo's.

Ik heb in één klap een ander beeld van de redactie. Ik zie dames met steunkousen worstelen met de overgang, topcolumnist Wim Spijkers met ver gevorderde roos op head & shoulders, ik zie een koekje bij de koffie, taartjes als er iemand jarig is en het jaarlijkse personeelsuitje is bowlen.

Nooit kan ik meer zonder gniffelen naar het blaadje kijken, ik moet en zal tot mijn dood minstens een keer per dag aan die hoofdredacteur denken. Al laten ze Willem Alexander zichzelf bevredigen op de cover, mijn gedachten komen nooit meer verder dan 'piep'.

    • Youp van ’t Hek