Paul Feyerabend (1924-1994); Kokette wetenschapsfilosoof

PAUL FEYERABEND: Killing Time. The autobiography of Paul Feyerabend

192 blz., geïll., The University of Chicago Press 1995, ƒ 52,20

Paul Feyerabend (1924-94) was het enfant terrible van de wetenschapsfilosofie. Zijn lijfspreuk 'anything goes' maakte hem wereldberoemd en zijn anarchistische benadering leverde hem zowel de instemming als de hoon op van vakgenoten. In de jaren zestig en zeventig groeide hij uit tot een cultfiguur en samen met Karl Popper en Thomas Kuhn was hij verantwoordelijk voor de populariteit van de wetenschapsfilosofie.

In zijn autobiografie Killing Time, die hij vlak voor zijn dood voltooide, doet Feyerabend verslag van een turbulent leven. Het is een intrigerend boek, op sommige plaatsen harteloos en kil, elders gemaakt luchthartig en koket, maar tegelijk openhartig en altijd boeiend. Evenwichtig is het niet - hoe kan het anders bij iemand die zich het liefst als 'dadaïst' omschreef - en Feyerabend was er de man niet naar om een persoonlijk archief bij te houden. Veel meer dan de filosoof leert de lezer de mens Feyerabend kennen, maar dat is nauwelijks een bezwaar.

Feyerabend groeide op in Wenen. Hij was enig kind, zijn ouders trouwden voor de Eerste Wereldoorlog, maar besloten pas na vijftien jaar dat er voldoende geld was voor een kind. Het resultaat was een beschermde jeugd, ver weg van de straat, en tot zijn negende jaar mocht Paul geen gebruik maken van het openbare toilet op de verdieping. Op school blonk hij uit, hij raakte geïnteresseerd in natuur- en sterrenkunde, overigens zonder wiskundig begaafd te zijn, en daarnaast in filosofie en toneel. Ook kon hij prachtig zingen en het liefst was hij astrofysicus geworden en 's avonds operazanger. De oorlog besliste anders.

De Duitse bezetting en de Tweede Wereldoorlog zag Feyerabend eerder als ongemak dan als moreel probleem. Niet een afgewogen oordeel maar het gegeven hoe zijn pet stond leidde hem bij zijn beslissingen. Hij ging in het Duitse leger, belandde uiteindelijk aan het Oostfront en klom op tot commandant van een fietsbataljon. Niet dat hij ooit op een fiets gezeten had - bij het uitproberen tuimelde hij voor het oog van zijn manschappen direct om - maar dat was geen bezwaar: al een dag na zijn benoeming viel het materieel in handen van de Russen en volgde een chaotische vlucht te voet. Zijn zorgeloosheid werd Feyerabend fataal. Tijdens een vuurgevecht moest hij zo nodig op een kruispunt het verkeer regelen, tot drie kogels, waarvan één hem onder in zijn ruggegraat trof, daar een eind aan maakten. De oorlog was voorbij, maar de rest van zijn leven liep hij op krukken, leed aanhoudend pijn en was impotent.

Kick

Na een periode van revalidatie in Weimar begon Feyerabend in 1947 aan de Universiteit van Wenen zijn studie natuurkunde. Tegelijk stortte hij zich in het culturele leven, nam toneel- en zangles en roerde zich op politieke bijeenkomsten. Het toespreken van een zaal vond hij heerlijk: hij was een meester in het hanteren van theatrale effecten en het manipuleren en uitdagen van groepen mensen gaf hem een kick. In 1951 promoveerde hij tussen de bedrijven door op aantekeningen die hij maakte als lid van een studentenversie van de Wiener Kreis. “Ze bevatten redeneringen en hadden bij elkaar de juiste lengte, dus waarom niet?” Eigenlijk had hij op een zuiver fysisch onderwerp uit de klassieke elektrodynamica willen promoveren, maar berekeningen in die richting leidden tot niets.

Op het moment dat Feyerabend naar Cambridge zou afreizen om leerling van Wittgenstein te worden, overleed deze en werd het Popper en de London School of Economics. Aanvankelijk toonde hij zich een ware Popperiaan - de wetenschap gaat vooruit door hypotheses experimenteel te toetsen en eventueel te falsifiëren - maar tijdens zijn verblijf in Engeland begon hij zich af te zetten tegen een rationalistische wetenschapsbenadering en verwierp het idee van een wetenschappelijke methode die de waarheid in pacht zou hebben. Op cruciale punten in de wetenschapsgeschiedenis, zo redeneerde Feyerabend, hadden wetenschappers zich van geen keurslijf iets aangetrokken. “Stringent toegepast, zonder uitvluchten, zou het falsificatiebeginsel het einde betekenen van de wetenschap zoals we die nu kennen.”

Deze lijn van redeneren vond zijn climax in Feyerabends 'methodologisch anarchisme': geen enkele wetenschappelijke methode is zaligmakend, de Westerse geneeskunst is niet beter dan de Indiaanse, kritisch rationalisme niet superieur aan kabbalistiek: het is maar hoe je het bekijkt en alles mag. Dit pleidooi voor pluralisme, in eerste instantie neergelegd in artikelen voor vaktijdschriften, trok pas echt de aandacht toen in 1974 Against Method verscheen. De voorgeschiedenis van dat boek is curieus. In 1970 werd Feyerabend op een feestje aangesproken door zijn goede vriend en collega Imre Lakatos. “Paul,” zei hij, “je houdt er zulke rare opvattingen op na, waarom schrijf je ze niet op? Ik verzorg een repliek, we publiceren het geheel en ik verzeker je dat we ons een deuk zullen lachen.” Het idee sprak Feyerabend aan - hij mocht de mensen graag een beetje stangen -, maar toen zijn deel van het manuscript af was, overleed zijn compaan en de 'collage' verscheen op zichzelf.

Zelden is een boek sterker onder vuur komen te liggen. Feyerabends debunking van het rationalisme als de beste methode van wetenschapsbeoefening schoot velen in het verkeerde keelgat. Het betoog was gekruid met vileine grappen, er werd links en rechts tegen schenen geschopt en sommigen trokken een vergelijking met Karl Kraus. De reacties waren ongemeen fel. 'The worst enemy of science', schreeuwde het Britse tijdschrift Nature en W.F. Hermans schreef op 28 oktober 1977 in deze krant: Het is “een boek dat aan de wetenschap niets toevoegt of afdoet, maar wel in staat zou kunnen zijn onwetende politici, die ondanks hun totale onkunde, toch over wel en wee van de wetenschappen mee te beslissen hebben, op geheel verkeerde gedachten te brengen.” Anderen verweten de auteur inconsistent te zijn of maakten hem uit voor seksist.

Depressie

In Killing Time zegt Feyerabend door alle commotie behoorlijk depressief te zijn geraakt. “Het duurde een jaar, 't was net een huisdier, bij het ontwaken luisterde ik doodstil of ze er was, sloop uit bed, ontbeet in de keuken met Good Morning America, maakte me op voor mijn ochtendwandeling en daar was ze dan: mijn depressie. Ik voelde me eenzaam, mijn privéleven was een puinhoop en ik was weerloos. Had ik dat verdomde boek maar nooit geschreven.” Twintig jaar later de balans opmakend, komt de auteur, niet zonder enig triomfalisme, tot de constatering dat zijn gedachte dat wetenschappers tijdens het experimenteren opportunistisch te werk gaan thans gemeengoed is. “Het is aardig te zien dat een aantal van mijn studeerkameropvattingen wordt onderschreven door onderzoekers die van de praktijk van het wetenschappelijk bedrijf op de hoogte zijn.”

Feyerabend begon zijn wetenschappelijke loopbaan in Bristol. Zijn stijl van doceren was losjes, colleges bereidde hij 'uit luiheid' nauwelijks voor, vertrouwend op zijn retorische kwaliteiten en improvisatievermogen. Kenners prikten daar doorheen. “Betekenisloze woorden zonder verband,” vond de fysicus Vincent Pryce van een college over quantummechanica. “Knap en geestig als een kudde ezels”, zei de astronoom Martin Ryle. Toch werd Feyerabend in 1958 door de universiteit van Berkeley, Californië, aangezocht als hoogleraar wetenschapsfilosofie. Daar groeide hij uit tot een cultfiguur. Tijdens werkcolleges voerden studenten het woord, in plaats van een paper te moeten schrijven, en het onderwerp was vrij. Zo kon het gebeuren dat tijdens de studentenrevolutie van de jaren zestig over het opblazen van transformatorhuisjes werd gesproken en Vietnamezen op uitnodiging van Feyerabend kwamen vertellen over hun land en over de achtergronden van hun verzet.

Een afgebakend programma had Feyerabend niet, bijna alles wat hij deed ging op de tast en bleef onvoltooid. “Misschien hield ik van te veel zaken en wilde ik nergens op vastgepind worden.” Naast zijn hoogleraarschap in Berkeley nam hij tijdelijke posten aan in Auckland, Berlijn, Londen, Yale, Sussex en Kassel. Na de aardbeving in Californië van 1990 wilde hij weg en koos voor de Eidgenössische Technische Hochschule in Zürich. Tegen de benoeming van zo'n 'geflipte figuur' rezen bij de federale autoriteiten grote bezwaren, maar om zijn onafhankelijkheid te benadrukken, zette de president de benoeming door: “Zelfs een Feyerabend is niet in staat een gevestigd instituut als de Hogeschool te gronde te richten.”

Voorspel

Killing Time is een boek met vele gezichten. Keer op keer koketteert Feyerabend met zijn frequent theaterbezoek, of met zijn succes bij de vrouwen. Die vielen voor zijn roekeloosheid en verwarden zijn grote mond met intelligentie. Zijn impotentie was geen beletsel, het dwong hem werk te maken van het voorspel - meer zat er niet in. “Als ik mijn partner van genot zag kronkelen, voelde ik me tamelijk absurd.” Op het eind van zijn leven hoopte Feyerabend bij zijn vierde vrouw, de Italiaanse Grazia Borrini, langs kunstmatige weg kinderen te verwekken, maar de maandelijkse gang naar een ziekenhuis in Rome bleef zonder succes.

Op sommige plaatsen in zijn autobiografie toont Feyerabend zich genadeloos openhartig. Toen hij in de zomer van 1943 in Vukovar gelegerd was, hoorde hij van de zelfmoord van zijn moeder. “Ik bedankte mijn maat de boodschapper en richtte mijn aandacht weer op mijn tekeningen, ik voelde niets.” Na het overlijden van zijn vader weigerde Feyerabend uit Berkeley over te komen om hem de laatste eer te bewijzen. Tegenover deze kilte staan liefdevolle, poëtisch zuivere scènes zoals die waarin zijn vader opduikt in zijn dromen, de twee elkaar om de hals vallen en zich verzoenen. Of die waarin hij beschrijft hoe hij in 1989 de afscheidsbrief van zijn moeder ontdekt. “Voor het eerst voelde ik van nabij dat vreemde, afwezige en ongelukkige schepsel dat mijn moeder was geweest.”

Het zijn de bekentenissen van een rusteloze relativist, bruisend van energie, maar met een intellectuele nalatenschap van bescheiden houdbaarheid.

    • Dirk van Delft