Paniekzaaiers

Volgens de geschiedschrijver van de BVD, Dirk Engelen, heeft de Nederlandse politieke en militaire inlichtingendienst haar ontstaan te danken gehad aan bangmakerij. Volgens de meeste Engelse militaire historici geldt dat ook voor de Britse geheime diensten. Nederland en Engeland lieten zich in de Eerste Wereldoorlog allebei op stang jagen door een agressieve vijand uit het Oosten die alleen bestond in de fantasie van pionierende amateurs die zichzelf wilden rechtvaardigen. In Engeland nam de bangmakerij hysterische vormen aan, in Nederland gebeurde het bedaarder, maar ook hier werden spoken gemobiliseerd om het land tegen de inval van vreemde machten te beschermen.

Engelen beschrijft in zijn vorige maand verschenen Geschiedenis van de Binnenlandse Veiligheidsdienst de (eerste) infiltratie van de Amsterdamse politie in 1918 in een anarchistische organisatie die “plannen beraamde om regeringsgebouwen op te blazen en ministers uit de weg te ruimen”. Helaas vermeldt hij niet hoeveel snoodaards het op het leven van Cort van der Linden, Treub of Rambonnet hadden voorzien en hoeveel kleefbommen ze op zak droegen. De 'organisatie' was in werkelijkheid niet meer dan een rebellenclub die bij gebrek aan een voetbalveldje in de politiek terecht was gekomen, maar volgens de politie pasten de Raden van Arbeiders en Soldaten geheel onder de definitie van een samenzwering. De schrik greep om zich heen toen bekend werd dat ook elders in het land dergelijke Raden als paddestoelen uit de grond waren gekomen.

Maar hoe hoog de revolutionaire koorts ook opliep, in Den Haag was geen complotteur te zien. Op het Plein heerste de rust van alle dagen. Minister Pleyte kuierde naar zijn gewoonte enkele keren per dag van 'De Witte' naar 'Koloniën' vice versa zonder een revolutionaire arbeider of soldaat tegen te komen. De politie had dan ook de jacht geopend op fantomen. “Van de zaak”, schrijft Engelen, “bleef niet veel over toen uitkwam dat de dreigende berichten voornamelijk aan de fantasie van de berichtgevers waren ontsproten, maar intussen had GS III (de inlichtingendienst van de Generale Staf) zich door dit alles een stapje verder begeven op het terrein van de binnenlandse veiligheid”. De mislukte staatsgreep van de socialist Troelstra in november 1918 gaf volgens Engelen de stoot aan de oprichting van een centrale dienst voor de binnenlandse veiligheid.

Veel stelde die toen nog niet voor, maar toch zoveel dat sommigen de vrees uitspraken dat de rechtsstaat op het hellende vlak terecht zou komen wanneer de politie zich ging inlaten met methoden van infiltratie en afluisteren. Zo koesterde de Generale Staf (GS III) “morele bezwaren tegen het gebruik van betaalde informanten”. De kapitein C.A. van Woelderen, die enige jaren aan die staf verbonden was, schreef daarop in zijn dagboek: “de inlichtingendienst van de Generale Staf van Nederland is de meest fatsoenlijke inlichtingendienst ter wereld”.

De recherche van de Amsterdamse politie was minder kieskeurig (het IRT-debat is van alle tijden) en bediende zich van tipgevers, versliecheraars en informanten. De Amsterdamse politie was ook de eerste die er, in 1917, in slaagde een dubbelspion aan zich te verbinden, een agent van de Duitse inlichtingendienst die hier spioneerde en tegelijkertijd de inhoud van zijn opdrachten aan de Amsterdamse politie-inspecteur K.H. Broekhoff doorgaf.

De Britten leden in diezelfde jaren minder onder een kunstmatig opgewekte angst voor de socialisten of de communisten dan voor het 'Duitse gevaar'. Er werd beweerd dat de Duitsers Engeland wilden binnenvallen en de lezers van de Daily Express en de Morning Post geloofden dat. De regering was echter niet bij machte de massahysterie die de schrijver van thrillers William Tufnell Le Queux had losgemaakt tot bedaren te brengen. Le Queux (uitgesproken: Kjoe) stak Dickens in populariteit naar de kroon en beschikte over een machtig wapen: zijn miljoenenpubliek dat hij meer dan 175 boeken had geschonken. Het onderschreef zijn mening dat Engeland 'in de macht was' van Duitse spionnen. Le Queux zag in elke Duitse kapper, ober, hoteleigenaar en toerist een spion en zijn lezers raakten zozeer in de ban van zijn spookverhalen dat ze dezelfde verschijnselen begonnen waar te nemen. Ze gingen naar de politie om verdachte Duitsers aan te geven of ze rapporteerden hun bijzonderheden aan Le Queux, die ze op zijn beurt triomfantelijk weer aan de politie doorgaf.

Le Queux raakte door zijn succes volkomen op drift. Hij trok met zijn auto het land in om de spionnen die de politie niet wilde zien persoonlijk in de kraag te vatten. Hij stak de Noordzee over om daar zijn contacten te spreken die, zoals hij beweerde, het Duitse legercommando hadden geïnfiltreerd en hij keerde terug met een 'zwarte lijst' waarop de namen van Lagerhuisleden, bekende schrijvers en hoge ambtenaren van Buitenlandse Zaken, Binnenlandse Zaken, Koloniën en Oorlog stonden. Allemaal handlangers van de Duitsers, betaalde spionnen die als houtwormen de structuur van de Britse staat hadden aangevreten.

De publikatie van die lijst veroorzaakte een massale spionagekoorts. De regering kon nu niet langer passief blijven. Ze stelde op aandringen van het Lagerhuis een contraspionagedienst in, het Secret Service Bureau. Dat bureau zou uitgroeien tot de tegenwoordige MI5 en SIS. Le Queux viel door de mand toen een grondig onderzoek aantoonde dat de angst voor Duitse spionnen volkomen ongegrond was geweest. Hij bleek een gestoorde geest te zijn, maar hij had de geheime dienst tot stand gebracht en aan zijn gestoordheid een mooi fortuin verdiend.