Overlevingsplan voor glastuinders

DEN HAAG, 7 OKT. De gemeentebesturen en tuinders in het Westland zetten begin mei nog verbolgen 'de hakken in het zand', toen minister De Boer (VROM) zei dat op potentiële lokaties voor woningbouw in het gebied geen plaats is voor nieuwe kassen'.

Dat verzet onder de tuinders getuigde toen al niet van groot realiteitsbesef, maar in de daarop volgende maanden is het inzicht snel gekomen. De glastuinbouw heeft op korte termijn 200 miljoen gulden nodig om een begin te maken aan een forse sanering in eigen gelederen. Voor de langere termijn is een wet nodig op grond waarvan verouderde en kwakkelende bedrijven desnoods kunnen worden gedwongen te sluiten, zo luidt de strekking van een gisteren gepubliceerd rapport van een initiatiefgroep uit het tuinbouwbedrijfsleven.

De groep werd in juni door de federatie van land- en tuinbouwverenigingen (LTO Nederland) gevormd, nadat de sector minister Van Aartsen (landbouw, milieubeheer en visserij) had toegezegd een herstructureringsplan voor de glastuinbouw op te stellen. Uitgangspunt in het rapport is dat de tuinbouw ook in het jaar 2010 nog van betekenis is. Mevrouw De Boer wordt en passant tegemoetgekomen.

De sociaal-economische betekenis van de glastuinbouw is voor Nederland nog groot, maar kalft snel af. Het is nog maar een paar jaar geleden dat de sector gold als sterke, dynamische, innovatieve tak van land- en tuinbouw, sterk geöriënteerd op de internationale markt. Daarna is het hard bergafwaarts gegaan.

De tuinders hebben de laatste drie tot vier jaar last van grote druk op hun prijzen, terwijl hun lasten blijven stijgen. Boosdoeners zijn volgens hen nationale en lagere overheden die allerlei heffingen opleggen, en Spanje - annex Canarische Eilanden - waar steeds meer tomaten komkommers, paprika's, ijsbergsla en aardbeien vandaan komen.

De uitvoer van Spaanse tomaten is sinds 1988 met vijftig procent gestegen, die van paprika's, komkommers, sla en aardbeien bijna verdubbeld. De recente devaluatie van de peseta, bijna dertig procent tegenover de 'steenharde' gulden, volgend op waardeverminderingen in 1992 en '93, heeft de concurrentiepositie van de Spaanse telers fors verstevigd.

Daarnaast zien de Nederlandse telers met lede ogen aan hoe de Spaanse overheid de hele tuinbouw 'stevig in de benen helpt'. Modernisering van de teelt wordt daar gestimuleerd, volgens de telers veelal met EU-subsidies. Slachtoffers hiervan zijn er overigens ook in België, Frankrijk en Groot-Brittannië.

De devaluatie van zwakke munten werkt ook door in het Europees systeem van subsidies, garantie- en interventieprijzen. Landen met verzwakte valuta ontvangen hierdoor meer ecu's dan de bedoeling was. En hoewel Brussel dat enigszins corrigeert, heeft het voor een deel van de bedrijfstak geen zin meer.

De tuinders wijzen ook op het feit dat Nederland zwak uit de subsidie-onderhandelingen in Edinburgh kwam. Uit het structuurfonds voor plattelandsontwikkeling ontvangt Nederland tussen 1993 en '99 nog geen 0,7 procent van het beschikbare geld (7 miljoen ecu, tegen Spanje 330 miljoen), 1,5 procent voor landbouwmilieuprogramma's en 3 procent voor versnelde structuuraanpassing van de landbouw. Van de 1,57 miljard ecu in het cohesiefonds (milieu- en vervoersprojecten) gaat meer dan de helft naar Spanje, 858 miljoen ecu. Aan die verdeling valt volgens Van Aartsen weinig te veranderen.

Nederland verliest zijn traditionele voorsprong in de tuinbouw niet in de laatste plaats doordat buitenlandse bedrijven relatief meer kunnen investeren door de lage loonkosten. Uit onderzoek blijkt dat de loonkosten voor een 35-jarige vaste medewerker in de tuinbouw in Nederland 27,81 gulden per uur bedragen om die werknemer een netto salaris van 12,87 gulden te bieden. In Spanje ligt die verhouding op 5,51:5,34. Een rol speelt verder dat Nederland als enige EU-lid geen bevredigende regeling heeft voor de seizoensarbeid die zo eigen is aan land- en tuinbouw.

De beschuldigende vinger wijst niet alleen richting Spanje. Er is ook 'veel last van Marokko', waarvoor de Europese Unie allerlei invoerheffingen afschafte. Hetzelfde geldt voor Colombia, dat wordt gestimuleerd om andere produkten dan cocaïne te telen. Vooral de bloemkwekerij heeft daarvan te lijden.

De tuinbouwsector heeft evenmin gelijke pas kunnen houden met milieuwetten en daaruit voortvloeiende regelgeving, zoals de wet verontreiniging oppervlaktewater en het lozingenbesluit, een wet milieubeheer en een algemene maatregel van bestuur 'bedekte teelt', het meerjarenplan gewasbescherming, een meerjarenafspraak energie en een kunststoffenconvenant. Volgens het Landbouw Economisch Instituut (LEI-DLO) moet een gemiddeld tuinbouwbedrijf eenmalig 371.000 gulden extra investeren om aan al die wet- en regelgeving te voldoen. En daar blijft het niet bij. Berekend is dat de jaarlasten toenemen met vier tot tien gulden per vierkante meter. Dat kon niet zonder gevolgen blijven, stelden de tuinders afgelopen zomer. De LEI-DLO-studie voorspelt dat 34 procent van de huidige - op zichzelf levensvatbare - tuinbouwbedrijven daardoor failliet gaat.

Naar verwachting zal de komende vijf jaar dertig tot veertig procent van de glastuinbouwbedrijven in liquiditeitsproblemen raken, te kampen krijgen met rendementsproblemen, sterk verouderen door gebrek aan investeringskapitaal en noodzakelijke milieu-investeringen niet aankunnen. De aangekondigde lastenverlichting helpt niet. Alleen dit jaar al moeten 450 tuinders hun bedrijf sluiten en doet een zelfde aantal een beroep op bijstand.

Niettemin heeft een goed deel van de glastuinbouwers een sterk en modern bedrijf. Voor hen is perspectief, zo valt in het rapport van de initiatiefgroep te lezen, als ze meer waarde aan hun produkten toevoegen, tegemoetkomen aan de eisen van steeds krachtiger grootwinkelbedrijven en zelf professioneel aan marketing doen. Daarbij dienen ze in het oog te houden dat Oost-Europa, Zuid-Oost Azië en China nog nauwelijks geopende markten zijn.

Bij zoveel ambitie hebben de tuinders de overheid nodig. “Het ingrijpende karakter van de ruimtelijke herstructurering (reconstructie, sanering en ontwikkeling van nieuwe 'glaslokaties') vereist adquate sturing van het proces”, zegt het rapport. Voor de 'wijkers' is een sociaal plan nodig dat voorziet in bedrijfsbeëindiging, herscholing, herplaatsing en huisvesting, en eventueel enige psychologische bijstand.

De 'blijvers' gaan misschien ergens anders naar toe, maar moeten zich wel gesteund weten door de overheid. Het idee van de initiatiefgroep over de aanblik van 'de nieuwe glaslokaties' zal minister De Boer in elk geval aanspreken. Groepslid F.H. Hoogervorst, opgewekt: “Wij denken aan één hectare glas op twee hectare groen landschap, zodat mensen het ook leuk vinden om eens door zo'n gebied heen te fietsen”.

    • Bram Pols