Niet aflatende zorg

Wie niet helder schrijft heeft niet helder gedacht.' Dat heeft Johan Andreas Dèr Mouw een jaar of negentig geleden geschreven, in een opstel over de Grote Bolland en zijn taalkundig knoeibedrijf.

Het Nederlands werd nog niet vernieuwd door kamerleden, tekstschrijvers, woordenbakkers, omroepers van de radio, kommunikaatsielui en spellingvernieuwers. Dèr Mouw wierp zich niet zozeer op als beschermer van het Nederlands als wel van het denken dat zich in dit geval in het Nederlands voltrok. Het Bollandse denken wekte dusdanig zijn weerzin dat hij er een essay over moest schrijven. Tot op de dag van vandaag is het lectuur waarbij je je niet verveelt.

Nu hebben de kamerleden Koekkoek en Van Middelkoop voorgesteld, de Grondwet uit te breiden. 'De bevordering van de Nederlandse taal is voorwerp van zorg van de overheid' - die krakende en duistere zin willen ze erbij hebben. De zin kraakt omdat er drie maal van in staat en is duister omdat niets wordt gezegd over de aard van de zorg. Hun bedoeling is goed, maar juist hier hadden de kamerleden voor de dag moeten komen met een zin, zo klaar en vloeiend, zo voorbeeldig in eenheid van vorm en inhoud dat alleen al daardoor alle weerstand zou smelten. Er kan dus nog iets aan worden gedokterd. Misschien had Dèr Mouw iets anders voorgesteld: 'De kwaliteit van het Nederlandse denken is voorwerp van voortdurende overheidszorg.' Als het denken goed is komen het spreken en schrijven vanzelf. Denken leren de kinderen thuis en op school, van hun ouders en hun onderwijzers, die helder spreken en schrijven omdat ze helder hebben gedacht. Loopt er iets mis met de taal (om het maar zo algemeen mogelijk te zeggen), dan moet er iets worden verbeterd in de huiskamer en de klas. Ouders die de opvoeding aan hun laars lappen, onderwijzers die hun leerlingen als proefkonijntjes zien: daar begint het mee.

Vervolgens zijn er tientallen 'vijanden' van de taal die door het gebrek aan weerstand (de miserabele kwaliteit van het denken) hun kans krijgen, als bacillen in een verzwakt lichaam. Veel mensen zijn van mening dat het Engels de voornaamste vijand is. Het is waar: als je de reclameteksten leest krijg je soms de indruk dat je in een soort Engeland bent. Laat je knippen bij een hair fashion team, ga gokken in een gambling house, koop je telefoon in de telefactory, en doet het ding het niet dan zeg je fuck of shit. Lastig vraagstuk. Waarom gebruiken mensen die Engelse woorden als er uitstekende Nederlandse equivalenten bestaan? Omdat het hier over niet te vertalen nuances gaat. Bij een haarmodeploeg word je anders geknipt en in een gokhuis zie je andere mensen. Alle vreemde woorden in het Nederlands vertalen heeft iets krampachtigs dat de taal meer kwaad doet dan die enkele stukjes steenkolenengels die na een paar jaar weer zijn verdwenen. En wat zou de overheid er trouwens tegen moeten ondernemen? In de oorlog moesten The Ramblers zich De Zwervers noemen en In the Mood heette In de stemming. Het heeft de geallieerde overwinning niet vertraagd. Wie het fundamentalistisch wil oplossen veroorzaakt de grootste ruzie zonder uitzicht op een oplossing.

Het Nederlands zou worden bedreigd doordat in hele takken van wetenschap men alleen nog met elkaar van gedachten kan wisselen in het Engels. Dat is een feit waarbij we ons moeten neerleggen. Filosofen en medici hebben eeuwen lang zich onderling alleen verstaanbaar kunnen maken in het Latijn. Dat was evenmin een bedreiging van de moedertaal. Voorzover het over hun vak ging, dachten ze in het Latijn omdat die taal het enige voertuig van hun denken was. Buiten hun vak bedienden ze zich van wat er in hun eigen land werd gesproken, en ze dachten dienovereenkomstig. De taal van een nationaal beschavingsgebied is iets heel anders dan de woordenschat van een specialisme. Die bijten elkaar niet, en als dat wel het geval was, zou de overheid er niets aan kunnen doen omdat de overheidsdienaren geen verstand van specialismen hebben.

Het Nederlands is een uitstekende taal, vooral voor wie er van kindsbeen af in heeft leren denken. Lang geleden heb ik een poosje bij een Amerikaanse krant gewerkt, de Johnstown Tribune Democrat, in Johnstown, Pennsylvania. Zelfs terwijl ik me er soms op betrapte dat ik in het Engels dacht, heb ik me geen moment zeker gevoeld als ik in het Engels schreef. In het Nederlands schrijven is me altijd een plezier, het zinnen bouwen een lust, het keuren en kiezen van de nuances een wellust; in het Engels is het zwaar werk omdat ik met de nuances niet ben opgegroeid. Als het Nederlands wordt bedreigd komt dat niet doordat de Nederlanders zich het denken in een andere taal zouden eigenmaken want dat is niet mogelijk. Dan komt het doordat de vooraanstaanden onder de taalgebruikers hun taal verhaspelen, en aan dat soort mensen is geen gebrek.

Frans Heddema heeft jaren lang voor Het Parool de verslagen van de Amsterdamse gemeenteraadsvergaderingen geschreven. Aan het einde van ieder verslag gaf hij een bloemlezing uit het koeterwaals dat de raadsleden ten beste hadden gegeven. Goed opgevoede mensen, volksvertegenwoordigers die voorbeeldig zouden moeten denken en spreken. Ze maakten er vaak zo'n potje van, gingen zich te buiten aan zulke wanstaltigheden dat ik er nu niet eens in slaag, me zo'n gedrocht te herinneren.

Er zijn nog veel meer bedreigingen van het Nederlands. Een heel industriepark van kletspraat is al jaren bezig met het fabrieken van een versimpelde, van jaar tot jaar veranderende modetaal die bestaat uit een beperkt aantal schreeuwen, gillen, blaffen, zo eenvoudig dat je het bij wijze van spreken je hond kunt leren.

Het Nederlands zit tussen twee vuren: het ingewikkelde knutselkoeterwaals van de niet-denkers onder de volksvertegenwoordigers, ambtenaren, wetenschappers, wat heb je verder, en het eenvoudig balken dat vooral uit de radio en de televisie komt.

Hoe verdedig je je daartegen? Hoe kan de overheid dit tot voorwerp van niet aflatende zorg maken? Daar gaat het om.

    • S. Montag