Minister Hartarto's strijd voor vrije handel; Indonesische superminister houdt donderdag aan de Erasmus Universiteit Mandeville-lezing

Op 12 oktober aanstaande houdt de Indonesiër ir. Hartarto Sastrosoenarto aan de Erasmus Universiteit de Mandeville-lezing, de Rotterdamse pendant van een eredoctoraat. Hartarto is in zijn vaderland coördinerend bewindsman van industrie en handel, een superministerie dat liefst elf economische departementen op één lijn moet brengen. In de stammenstrijd tussen 'liberalen' en 'economische nationalisten' geldt Hartarto als kampioen van de vrije handel. Daarbij stuit hij op binnenlandse monopolies, nationale prestigeprojecten en hechte politieke vriendschappen. Profiel van een geduldige, maar taaie volhouder.

President Soeharto ging drie weken geleden voor bij de inwijding van een industriële kathedraal. De plechtigheid vond plaats op 17 september in de Westjavaanse havenplaats Cilegon. Daar verrees de afgelopen jaren het grootste nafta-verwerkende complex van Zuid-Oost Azië, dat uit dit aardoliederivaat grondstoffen gaat maken voor de kunstvezel- en plastics-industrie. Soeharto plaatste zijn handtekening op de eerste zak polyethyleen, onder de goedkeurende blikken van zijn zoon Bambang Trihatmojo, grootaandeelhouder van het conglomeraat Bimantara Citra, en twee ethnisch-Chinese tycoons: Prajogo Pangestu en Henri Pribadi. Het drietal is respectievelijk president-commissaris, voorzitter en vice-voorzitter van de raad van bestuur van de joint venture PT Chandra Asri, de eigenaar van het complex, dat 1,9 miljard dollar heeft gekost. De drie zijn tevens aandeelhouders in het project, samen met de Japanse firma Marubeni.

Chandra Asri was het afgelopen jaar inzet van een principiële krachtmeting. Begin december 1994, slechts luttele weken nadat de achttien leiders van de Asia-Pacific Economic Co-operation (APEC) zich in het Indonesische Bogor hadden verplicht tot een gefaseerde afbraak van handelsbarrières in het gebied, verscheen Peter F. Gontha, topman van de Bimantara Groep en tweede man na Bambang, voor het parlement. Hij verzocht de volksvertegenwoordigers in te stemmen met een invoerheffing van 35 tot 40 procent op produkten die Chandra Asri wil gaan maken. De protectie zou acht jaar moeten duren en jaarlijks met 4 à 5 procent moeten worden verminderd.

Dat het politieke tij aan het keren was, bleek uit het spervuur van vragen uit het parlement en de golf van kritiek uit de kring van deskundigen, die waarschuwden dat een dergelijke heffing de talrijke verwerkende industrieën in moeilijkheden zou brengen en de volkshuishouding op hoge kosten zou jagen.

Het Indonesische kabinet bleek verdeeld. De minister van investeringen wil jonge basisindustrieën beschermen en wenste Chandra Asri zijn zin te geven. De minister van financiën noemde protectie een 'relict uit het verleden' en zijn collega van industrie eiste van Chandra Asri volledige inzicht in zijn kostencalculaties voordat hij het verzoek ook maar in overweging wilde nemen. Begin deze maand, enkele dagen voor de opening van het complex, liet het departement van industrie weten dat Chandra Asri het moet stellen zonder enige tarievenprotectie. Onder de voorstanders van liberalisering ging gejuich op; zij beschouwen het besluit als een doorbraak. Insiders prijzen de man die de kibbelende ministers op één lijn wist te brengen en kennelijk ook de president wist te overtuigen: de coördinerende bewindsman van industrie en handel ir. Hartarto Sastrosoenarto.

Hartarto (63) behaalde de titel van chemisch ingenieur aan een Australische universiteit en geldt zowel in als buiten Indonesië als een liberaal gezinde technocraat. Hij verdiende zijn sporen in een reeks staatsbedrijven en begon halverwege de jaren zestig aan een lange mars door het departement van industrie. Die werd in 1983 bekroond met het ministerschap.

In de Indonesische 'Who is who' staat de volgende karakteristiek van Hartarto: “Luistert graag naar zijn ondergeschikten en aarzelt niet eigen fouten toe te geven. Zei tijdens een ontmoeting met hoofdredacteuren in 1985: 'Bij de opbouw van de Indonesische industrie hoort de regering graag suggesties en kritiek uit de samenleving'.”

In de jaren tachtig verzette Indonesië economisch de bakens. Sindsdien is het aandeel van olie en gas in 's lands exportpakket teruggedrongen van viervijfde tot eenderde. Van de resterende tweederde zijn liefst tachtig procent industrieprodukten. Volgens de normen van de Organisatie van de VN voor Industriële Ontwikkeling (UNIDO) mag Indonesië zich nèt een semi-industriëel land noemen. Die snelle ontwikkeling is mede mogelijk gemaakt door een geleidelijke vereenvoudiging van de regelgeving en door wat in modern Indonesisch debirokratisasi heet.

Hartarto stond al bekend als voorstander van een vrijere markt toen menige collega nog vasthield aan een vorm van 'economisch nationalisme', de opvatting dat Indonesië zijn jonge industrie moest beschermen tegen buitenlandse concurrentie. In de praktijk diende de door hen bepleite protectie de monopolies van etnisch-Chinese zakenlui en hun politieke connecties, niet in de laatste plaats de presidentiële familie. De geleidelijke ontmanteling van het protectionistische schild rond deze kongsi's vergt een grote mate van politieke tact en overredingskracht. Daarbij profiteert Hartarto van zijn achtergrond.

Hij is geboren in het Middenjavaanse vorstendom Surakarta (Solo) als zoon van een jaksa ('inlandse' officier van justitie) in het bestuurscorps van Nederlands-Indië, een lid van de ambtsadel. Zijn vijf kinderen dragen fraaie Sanskrit-namen: Gunadharma, Airlangga, Indira Asoka, Gautama en Maya Dewi Lutfi. De Indonesische politieke cultuur draagt nog steeds een sterk Javaans stempel en wie die taal spreekt, heeft binnen de elite een streepje voor.

Een Indonesische auteur waagde zich onlangs aan een karakteristiek van wat hij 'Soehartonomics' doopte: “Een combinatie van utilitarisme en een pragmatisch economisch nationalisme, dat ingaat tegen staatsdirigistische praktijken, met gebruikmaking van paternalistische en feodale tradities”. Voor economisch beleid een wat schimmige definitie, maar de pragmaticus Hartarto kan ermee omgaan.

Behalve dit moeilijk te meten voordeel heeft de bewindsman ook de tijd mee. Dat bleek toen in maart 1993 een nieuw kabinet werd geformeerd. Het superministerie van Economische zaken, financiën en industrie werd opgesplitst in een overkoepelend departement voor de monetaire sector, onder leiding van een coördinerende minister voor financiën en ontwikkelingsplanning, en een soortgelijk superdepartement voor de reële sector, geleid door een coördinerende bewindsman voor industrie en handel. De laatste post werd toegewezen aan Hartarto, een promotie en volgens menigeen een overwinning van de liberale lijn. Sindsdien heeft hij elf departementen onder zijn hoede: Landbouw, Mijnbouw en energie, Bosbouw, Industrie, Handel, Arbeid, Transport, Onderzoek en technologie, Post, telecommunicatie en tourisme, Milieu en tenslotte Coöperaties en kleinbedrijf. “Mijn zwaarste taak is het al die ministers op één lijn te brengen”, erkent de bewindsman. “Periodieke coördinatiesessies kunnen wel acht tot negen uur duren”.

Hartarto zelf verklaart de reorganisatie als volgt: “Tijdens de zittingsperiode van het vorige kabinet (1988-1993) speelden internationale afspraken nog niet zo'n grote rol; nu zijn die zeer belangrijk. Indonesië is één van de landen van Oost-Azië met een snelle economische groei. Die kan alleen doorzetten als voldaan wordt aan drie voorwaarden: voorzichtig macro-economisch beleid; een consistente deregulering en - gezien het gewicht van de export buiten de olie- en gassector - een eerlijke, doorzichtige en open wereldhandel. Daarom bereidt Indonesië zich heel aktief voor op een liberalisering van de handel in Azië, het APEC-gebied en tussen Azië en Europa. Dat is een belangrijke stimulans voor de economische groei. Gezien de variatie in ons exportpakket - van landbouw-, mijnbouw- en bosbouwprodukten tot en met textiel en electronica - is hiervoor een sterke coördinatie nodig. En dat is mijn werk.”

Volgens Hartarto zijn de meeste technocraten die de economische ministeries bemannen er intussen van overtuigd dat Indonesië zich alleen kan handhaven op de wereldmarkt als het de eigen volkshuishouding blootstelt aan internationale concurrentie en opent voor buitenlands kapitaal. De minister: “Er bestaat een consensus dat in het jaar 2003 de tarieven moeten worden teruggedrongen tot de schijf 0-5 procent. Geen enkele sector van de economie zal daarvan worden uitgezonderd. Bovendien zullen de niet-tariffaire barrières geheel moeten verdwijnen. Die verplichting zijn we aangegeaan in het kader van de ASEAN vrijhandelsovereeenkomst (AFTA). In de sector kapitaalgoederen zijn de tarieven inmiddels tot nul gereduceerd.”

Onderdeel van het liberaliseringsbeleid is de geleidelijke privatisering van staatsbedrijven. Sinds de nationalisatie van Nederlandse ondernemingen in 1957 kent de Indonesische industrie een omvangrijke overheidssector, maar een aanzienlijk deel van die bedrijven lijdt onder gebrekkig management en drukt op de begroting.

Hartarto: “Er zijn goede, redelijke en slecht draaiende staatsbedrijven. We streven ernaar om de sterken in het buitenland aan de beurs te noteren. Dat is tot dusverre succesvol gebleken. De motieven zijn drieërlei. Eén: verbetering van het management en vergroting van de doorzichtigheid, omdat ze zich moeten verantwoorden voor de aandeelhouders; twee: versterking van de financiële positie en drie: versnelling van de afbetaling van onze schulden. De privatisering van Indosat, het staatsbedrijf dat onze communicatiesatellieten exploiteert, leverde meer dan 1,5 miljard dollar op, waarvan we 800 miljoen hebben gebruikt voor de afbetaling van onze schuld (die inmiddels 100 miljard dollar bedraagt. D.V.) Als we twintig procent van onze staatsbedrijven gefaseerd naar de beurs brengen, levert dat ongeveer 70 miljard dollar op.”

Indonesië mikt in het lopende vijfjarenplan (1994-1999) op een jaarlijkse groei van iets meer dan 7 procent. Een dergelijke score is nodig om de 2,5 miljoen mensen die zich jaarlijks op de arbeidsmarkt melden aan werk te helpen. Om deze groei te realiseren, moet er per jaar voor 60 miljard dollar worden geïnvesteerd. Daarvan worden buitenlandse investeerders geacht een kleine 5 procent, 2,2 miljard dollar per jaar, voor hun rekening te nemen. Lukt dat?

Hartarto: “Onze jongste dereguleringen zijn erop gericht om particulieren te betrekken bij de ontwikkeling van de energiesector en de infrastructuur. In de infrastructuur halen we met zekerheid onze streefcijfers. Maar in de industrie ligt de realiseringsgraad (de verhouding van de uitgevoerde tot de in principe overeengekomen projecten) rond de 50 procent. Dat is aan de lage kant. Alle ministers moeten meehelpen dit cijfer omhoog te brengen. Mede vanwege APEC en de afspraak om de tariefmuren in 2010 te slechten wordt er in de ontwikkelde APEC-landen geherstructureeerd en door hen geïnvesteerd in landen zoals China, Vietnam, Indonesië en de Filippijnen. Welnu, in dat kader moet Indonesië hard werken voor een zo groot mogelijk aandeel. China heeft het goed gedaan, maar daar loopt het terug. Als we kijken naar de lange termijninvesteringen - mijnbouw en infrastructuur - mogen we spreken van een blijk van vertrouwen in Indonesië. En dat moeten we vasthouden. Onze kracht ligt in ons liberale deviezenregime. Niet zoveel staten zijn in staat een voorzichtig macro-economisch management te combineren met een vrij deviezenverkeer. Dat is heel lastig, maar het lukt.”

Tijdens de verjaardag van de Economische Faculteit van de Universitas Indonesia in september uitte de nestor van de Indonesische economen, professor Sumitro Djojohadikusumo, onder meer kritiek op de onevenwichtigheid tussen de industriële groei en de toename van de werkgelegenheid. Hij richtte zijn pijlen in het bijzonder op minister van onderzoek en technologie B.J. Habibie, die onder meer verantwoordelijk is voor de peperdure staatsvliegtuigfabriek IPTN in Bandung. Dergelijke projekten zouden teveel publieke middelen opslokken en te weinig arbeidsplaatsen opleveren. Habibie's departement valt weliswaar onder Hartarto's supervisie, maar deze minister is een vertrouweling van president Soeharto, die groot belang hecht aan de ontwikkeling van een Indonesische vliegtuigindustrie.

Dit is een bron van spanningen in het kabinet. Andere bewindslieden zijn niet langer bereid extra middelen uit te trekken voor Habibie's koosproject, dat zijn produkten tot dusverre alleen heeft kunnen slijten bij binnenlandse luchtvaartmaatschappijen. Luchtwaardigheidscertificaten die vereist zijn in het buitenland zijn tot op heden niet afgekomen. Hartarto heeft altijd gezegd dat de Indonesische industrie zijn levensvatbaarheid moet kunnen bewijzen op de markt.

De minister reageert behoedzaam: “De kritiek richt zich in de eerste plaats op de allocatie van middelen. Ik ben van mening dat dergelijke geavanceerde industrieën alleen bestaansrecht hebben als ze op eigen benen kunnen staan. Voor de IPTN-produkten bestaat een binnenlandse markt en er zijn plannen om te gaan assembleren in de VS en Duitsland. Hopelijk levert dat nieuwe markten op. Ik zeg steeds tegen de heer Habibie dat hij zich extra moet inspannen om dat te realiseren. Work hard, there is no other way.”

Na de lancering van het tweemotorige turboprop-toestel N-250 deze zomer hebben Habibie en Soeharto meteen besloten om een nieuw vliegtuig met straalaandrijving te ontwikkelen. Dat gaat miljarden dollars kosten. Kan de Indonesische economie dat opbrengen? Hartarto: “We moeten nog bezien waar die middelen vandaan moeten komen. Ik moet daar nog eens hartig over praten met Habibie. Dat is mijn reactie.”

Volgende week reist Hartarto voor de tweede maal dit jaar naar Nederland. Minister Wijers van Economische zaken kondigde tijdens het staatsbezoek van koningin Beatrix aan dat zijn departement de komende zeven jaar een bedrag van 245 miljoen gulden zal uittrekken voor bevordering van de export naar Indonesië. Dat geld zal onder meer worden besteed via een nieuwe kredietfaciliteit, die Nederlandse ondernemingen in staat moet stellen te concurreren met andere landen, die hun offertes kunnen voorzien van zachte overheidsleningen. Sinds de verbreking van de hulprelatie in 1992 werden dergelijke leningen, als ze uit Nederland kwamen, uitgelegd als hulp en die was taboe. Heeft de Indonesische regering inmiddels een besluit genomen over dit Nederlandse pakket?

Hartarto: “Jawel, zowel het kabinet als de president zijn van mening dat dit geen hulp is aan Indonesië, maar steun voor Nederlandse ondernemingen. En die zijn meer dan welkom. Het verleden ligt achter ons, laten we nu naar de toekomst kijken. De synergie van de Indonesische en Nederlandse economie is belangrijk. Niet alleen Indonesië, heel Oost-Azië en het Stille Oceaangebied bieden buitengewone mogelijkheden. Wij willen die synergie gebruiken om Europa te bestrijken. Nederland beschikt over internationale spelers, een uitmuntende financiële ondersteuning en een prima infrastructuur voor vervoer over land en door de lucht. Bovendien kennen onze ondernemers de Nederlandse al jaren. Alle ingrediënten voor een hechte samenwerking zijn er.”